BWBR0017194
Geldig vanaf 2009-12-22
Artikel 7
Regeling statistiek WWB, IOAW en IOAZ
1. Ten aanzien van de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 47a, eerste lid, van de WWBontvangt de minister van de SVB:
a. uiterlijk vier weken na afloop van iedere kalendermaand overeenkomstig het in bijlage 1 bij deze regeling opgenomen model, gegevens met betrekking tot personen aan wie in de desbetreffende maand een uitkering is verleend;
b. uiterlijk vier weken na afloop van iedere kalendermaand overeenkomstig het in bijlage 4 bij deze regeling opgenomen model, gegevens met betrekking tot personen aan wie in het kader van die uitvoering een betalings- of aflossingsverplichting is opgelegd;
c. uiterlijk vier weken na afloop van de eerste helft van een kalenderjaar overeenkomstig het in bijlage 5 bij deze regeling opgenomen model, gegevens met betrekking tot personen bij wie een vermoeden van fraude met betrekking tot een uitkering is onderzocht.
2. De SVB verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, zonder tussenkomst van het Centraal Bureau voor de Statistiek, op de door de directeur-generaal van de statistiek te bepalen wijze, bedoeld in artikel 6, eerste lid.
a. uiterlijk vier weken na afloop van iedere kalendermaand overeenkomstig het in bijlage 1 bij deze regeling opgenomen model, gegevens met betrekking tot personen aan wie in de desbetreffende maand een uitkering is verleend;
b. uiterlijk vier weken na afloop van iedere kalendermaand overeenkomstig het in bijlage 4 bij deze regeling opgenomen model, gegevens met betrekking tot personen aan wie in het kader van die uitvoering een betalings- of aflossingsverplichting is opgelegd;
c. uiterlijk vier weken na afloop van de eerste helft van een kalenderjaar overeenkomstig het in bijlage 5 bij deze regeling opgenomen model, gegevens met betrekking tot personen bij wie een vermoeden van fraude met betrekking tot een uitkering is onderzocht.
2. De SVB verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, zonder tussenkomst van het Centraal Bureau voor de Statistiek, op de door de directeur-generaal van de statistiek te bepalen wijze, bedoeld in artikel 6, eerste lid.