1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van feiten, strafbaar gesteld bij of krachtens:
a. de Wet op de openluchtrecreatie, de Wet openbare manifestaties, de Zondagswet, de Monumentenwet;
b. de artikelen 177, 179, 180, 184, 266, 267, 350, 351, 351bis, 424 t/m 429, 435, onder ten vierde, en 461 van het Wetboek van Strafrecht;
c. de verordeningen en/of Keuren voor zover betrokkene daarvoor door het bevoegde bestuursorgaan is aangewezen.
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van de gemeente Den Haag.