BWBR0017133
Geldig vanaf 2006-12-07
Artikel 20
Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2004
1. De hoofden van dienst kunnen, ieder voor zijn werkterrein, voor aangelegenheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, en voor zover van toepassing voor aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 8 tot en met 14, ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan hun plaatsvervangers, en wat het werkterrein van ondergeschikte organisatie-onderdelen of functionarissen betreft, aan de hoofden van die onderdelen of aan die functionarissen en aan hun plaatsvervangers.
2. Voor P&O-aangelegenheden geldt, in afwijking van het eerste lid, dat:
a. slechts ondermandaat, volmacht en machtiging kan worden verleend aan de plaatsvervanger van het hoofd van dienst;
b. aan hoofden van ondergeschikte organisatie-onderdelen en andere functionarissen slechts ondermandaat, volmacht en machtiging kan worden verleend voor zover het betreft: 1°. het aangaan van verplichtingen inzake de opleiding van personeel overeenkomstig de door de hoofden van dienst daartoe vastgestelde opleidingsplannen;
2°. verzoeken om betaling, voortvloeiend uit verplichtingen die zijn aangegaan voor de opleiding van personeel;
3°. het aangaan van verplichtingen inzake het inhuren van tijdelijk personeel binnen het door de hoofden van dienst daartoe vastgestelde jaarbudget;
4°. verzoeken om betaling, voortvloeiend uit verplichtingen die zijn aangegaan voor het inhuren van tijdelijk personeel;
5°. het verlenen van vakantie, kort buitengewoon verlof, zwangerschaps- en bevallingsverlof;
6°. het accorderen van reisdeclaraties.
1°. het aangaan van verplichtingen inzake de opleiding van personeel overeenkomstig de door de hoofden van dienst daartoe vastgestelde opleidingsplannen;
2°. verzoeken om betaling, voortvloeiend uit verplichtingen die zijn aangegaan voor de opleiding van personeel;
3°. het aangaan van verplichtingen inzake het inhuren van tijdelijk personeel binnen het door de hoofden van dienst daartoe vastgestelde jaarbudget;
4°. verzoeken om betaling, voortvloeiend uit verplichtingen die zijn aangegaan voor het inhuren van tijdelijk personeel;
5°. het verlenen van vakantie, kort buitengewoon verlof, zwangerschaps- en bevallingsverlof;
6°. het accorderen van reisdeclaraties.
3. De plaatsvervangend secretaris-generaal kan aan hoofden van dienst schriftelijk toestemming geven voor het verlenen van ondermandaat, volmacht en machtiging die afwijkt van het tweede lid.
4. Een hoofd van dienst kan aan de directeur Bedrijfsvoering opdracht verlenen voor de uitvoering van zijn beslissingen ten aanzien van de volgende aangelegenheden:
a. het aangaan van verplichtingen inzake de opleiding van personeel en het afhandelen van verzoeken om betaling, voortvloeiend uit verplichtingen die zijn aangegaan voor de opleiding van het personeel;
b. het aangaan van verplichtingen inzake het inhuren van tijdelijk personeel en het afhandelen van verzoeken om betaling, voortvloeiend uit verplichtingen die zijn aangegaan voor het inhuren van tijdelijk personeel;
c. het aangaan van overige verplichtingen op het gebied van personeel en het afhandelen van verzoeken om betaling, voortvloeiend uit die verplichtingen.
2. Voor P&O-aangelegenheden geldt, in afwijking van het eerste lid, dat:
a. slechts ondermandaat, volmacht en machtiging kan worden verleend aan de plaatsvervanger van het hoofd van dienst;
b. aan hoofden van ondergeschikte organisatie-onderdelen en andere functionarissen slechts ondermandaat, volmacht en machtiging kan worden verleend voor zover het betreft: 1°. het aangaan van verplichtingen inzake de opleiding van personeel overeenkomstig de door de hoofden van dienst daartoe vastgestelde opleidingsplannen;
2°. verzoeken om betaling, voortvloeiend uit verplichtingen die zijn aangegaan voor de opleiding van personeel;
3°. het aangaan van verplichtingen inzake het inhuren van tijdelijk personeel binnen het door de hoofden van dienst daartoe vastgestelde jaarbudget;
4°. verzoeken om betaling, voortvloeiend uit verplichtingen die zijn aangegaan voor het inhuren van tijdelijk personeel;
5°. het verlenen van vakantie, kort buitengewoon verlof, zwangerschaps- en bevallingsverlof;
6°. het accorderen van reisdeclaraties.
1°. het aangaan van verplichtingen inzake de opleiding van personeel overeenkomstig de door de hoofden van dienst daartoe vastgestelde opleidingsplannen;
2°. verzoeken om betaling, voortvloeiend uit verplichtingen die zijn aangegaan voor de opleiding van personeel;
3°. het aangaan van verplichtingen inzake het inhuren van tijdelijk personeel binnen het door de hoofden van dienst daartoe vastgestelde jaarbudget;
4°. verzoeken om betaling, voortvloeiend uit verplichtingen die zijn aangegaan voor het inhuren van tijdelijk personeel;
5°. het verlenen van vakantie, kort buitengewoon verlof, zwangerschaps- en bevallingsverlof;
6°. het accorderen van reisdeclaraties.
3. De plaatsvervangend secretaris-generaal kan aan hoofden van dienst schriftelijk toestemming geven voor het verlenen van ondermandaat, volmacht en machtiging die afwijkt van het tweede lid.
4. Een hoofd van dienst kan aan de directeur Bedrijfsvoering opdracht verlenen voor de uitvoering van zijn beslissingen ten aanzien van de volgende aangelegenheden:
a. het aangaan van verplichtingen inzake de opleiding van personeel en het afhandelen van verzoeken om betaling, voortvloeiend uit verplichtingen die zijn aangegaan voor de opleiding van het personeel;
b. het aangaan van verplichtingen inzake het inhuren van tijdelijk personeel en het afhandelen van verzoeken om betaling, voortvloeiend uit verplichtingen die zijn aangegaan voor het inhuren van tijdelijk personeel;
c. het aangaan van overige verplichtingen op het gebied van personeel en het afhandelen van verzoeken om betaling, voortvloeiend uit die verplichtingen.