BWBR0017082
Geldig vanaf 2004-10-01
Artikel 3
Besluit jachthavens
1. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2, indien:
a. in de inrichting voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het onderhouden, repareren of behandelen van de oppervlakte van metalen schepen met een langs de waterlijn te meten lengte van 25 meter of meer,
b. in de inrichting voorzieningen of installaties aanwezig zijn ten behoeve van de nieuwbouw van pleziervaartuigen, het gritstralen van pleziervaartuigen of de revisie van motoren van pleziervaartuigen,
c. in de inrichting één of meer stooktoestellen voor verwarming of warmtekrachtopwekking aanwezig zijn met een thermisch vermogen per toestel van 7500 kW of meer,
d. in de inrichting installaties of voorzieningen aanwezig zijn die kunnen worden gebruikt voor het verstoken of verbranden van andere brandstoffen dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie, met uitzondering van een toestel voor het verbranden van hout, dat uitsluitend bestemd is voor bij- of sfeerverwarming,
e. in de inrichting koel- en vriesinstallaties of warmtepompen aanwezig zijn met een capaciteit of een totale capaciteit van meer dan 200 kg ammoniak of van meer dan 100 kg propaan, butaan of mengsels van propaan en butaan,
f. in de inrichting meer dan 10 000 kg aan gevaarlijke stoffen wordt opgeslagen,
g. in de inrichting voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het afleveren van LPG, dat niet in hoofdzaak wordt gebruikt als brandstof voor transportmiddelen die bestemd zijn voor gebruik door degene die de inrichting drijft,
h. in de inrichting vloeibare gevaarlijke stoffen of vloeibare gevaarlijke afvalstoffen in tanks worden op- of overgeslagen, tenzij sprake is van het opslaan in ondergrondse tanks, waarop het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing is, dan wel sprake is van opslaan van brandbare vloeistoffen in bovengrondse tanks,
i. in de inrichting gassen of gasmengsels in tanks worden opgeslagen, tenzij sprake is van opslag waarop het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van toepassing is,
j. in de inrichting meer dan 1000 kg aan gewasbeschermingsmiddelen of biociden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden wordt opgeslagen, waarvan maximaal 600 kg biociden, zijnde aangroeiwerende verven, en maximaal 400 kg gewasbeschermingsmiddelen of biociden, niet zijnde aangroeiwerende verven of
k. de inrichting of een onderdeel daarvan is ingericht voor de opslag van vuurwerk.
2. Dit hoofdstuk is eveneens niet van toepassing:
a. op een inrichting als bedoeld in artikel 2, waarvoor krachtens hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer de verplichting geldt tot het maken van een milieu-effectrapport en
b. op een inrichting als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder d of e, voorzover in de inrichting permanente voorzieningen aanwezig zijn ten behoeve van de gelijktijdige aanwezigheid van meer dan 2000 bezoekers.
a. in de inrichting voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het onderhouden, repareren of behandelen van de oppervlakte van metalen schepen met een langs de waterlijn te meten lengte van 25 meter of meer,
b. in de inrichting voorzieningen of installaties aanwezig zijn ten behoeve van de nieuwbouw van pleziervaartuigen, het gritstralen van pleziervaartuigen of de revisie van motoren van pleziervaartuigen,
c. in de inrichting één of meer stooktoestellen voor verwarming of warmtekrachtopwekking aanwezig zijn met een thermisch vermogen per toestel van 7500 kW of meer,
d. in de inrichting installaties of voorzieningen aanwezig zijn die kunnen worden gebruikt voor het verstoken of verbranden van andere brandstoffen dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie, met uitzondering van een toestel voor het verbranden van hout, dat uitsluitend bestemd is voor bij- of sfeerverwarming,
e. in de inrichting koel- en vriesinstallaties of warmtepompen aanwezig zijn met een capaciteit of een totale capaciteit van meer dan 200 kg ammoniak of van meer dan 100 kg propaan, butaan of mengsels van propaan en butaan,
f. in de inrichting meer dan 10 000 kg aan gevaarlijke stoffen wordt opgeslagen,
g. in de inrichting voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het afleveren van LPG, dat niet in hoofdzaak wordt gebruikt als brandstof voor transportmiddelen die bestemd zijn voor gebruik door degene die de inrichting drijft,
h. in de inrichting vloeibare gevaarlijke stoffen of vloeibare gevaarlijke afvalstoffen in tanks worden op- of overgeslagen, tenzij sprake is van het opslaan in ondergrondse tanks, waarop het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing is, dan wel sprake is van opslaan van brandbare vloeistoffen in bovengrondse tanks,
i. in de inrichting gassen of gasmengsels in tanks worden opgeslagen, tenzij sprake is van opslag waarop het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van toepassing is,
j. in de inrichting meer dan 1000 kg aan gewasbeschermingsmiddelen of biociden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden wordt opgeslagen, waarvan maximaal 600 kg biociden, zijnde aangroeiwerende verven, en maximaal 400 kg gewasbeschermingsmiddelen of biociden, niet zijnde aangroeiwerende verven of
k. de inrichting of een onderdeel daarvan is ingericht voor de opslag van vuurwerk.
2. Dit hoofdstuk is eveneens niet van toepassing:
a. op een inrichting als bedoeld in artikel 2, waarvoor krachtens hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer de verplichting geldt tot het maken van een milieu-effectrapport en
b. op een inrichting als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder d of e, voorzover in de inrichting permanente voorzieningen aanwezig zijn ten behoeve van de gelijktijdige aanwezigheid van meer dan 2000 bezoekers.