BWBR0017052
Geldig vanaf 2004-07-29
Artikel 8
Brandweerregeling burgerluchtvaartterreinen 2004
1. Het brandweer- en reddingsmaterieel op luchtvaartterreinen bestaat ten minste uit brandweervoertuigen zoals vermeld in bijlage B, behorend bij deze regeling.
2. De brandweervoertuigen bezitten zodanige eigenschappen dat onder de gemiddelde weers- en terreinomstandigheden op of in de onmiddellijke omgeving van het luchtvaartterrein kan worden geopereerd.
3. Een luchtvaartterrein dat tussen zonsondergang en zonsopgang is opengesteld beschikt, ten behoeve van opsporings- en reddingswerkzaamheden alsmede voor de verlichting van het werkterrein, over adequate verlichtingsmiddelen.
4. Bij aanwezigheid van waterrijke of drassige gebieden op of in de onmiddellijke omgeving van het luchtvaartterrein, draagt de exploitant zorg voor voldoende en doelmatige reddingsmiddelen met het oog op die gebieden.
5. Op één van de voertuigen, vermeld in bijlage B, behorend bij deze regeling, of een ander daartoe ingericht voertuig zijn adequate reddingsmiddelen aanwezig voor de onmiddellijke hulpverlening.
6. Op gecontroleerde luchtvaartterreinen en luchtvaartterreinen waarvan de brandrisicoklasse 4 of hoger bedraagt, zijn de brandweervoertuigen voorzien van adequate verbindingsapparatuur voor de communicatie met tenminste:
a. de brandweervoertuigen onderling;
b. de meldingspost;
c. de plaatselijke luchtverkeersdienst, en
d. de leidinggevende van de brandweer met de gemeentelijke of regionale brandweer.
7. Het brandweerpersoneel beschikt over een uitrusting die zijn persoonlijke bescherming zo goed mogelijk waarborgt.
2. De brandweervoertuigen bezitten zodanige eigenschappen dat onder de gemiddelde weers- en terreinomstandigheden op of in de onmiddellijke omgeving van het luchtvaartterrein kan worden geopereerd.
3. Een luchtvaartterrein dat tussen zonsondergang en zonsopgang is opengesteld beschikt, ten behoeve van opsporings- en reddingswerkzaamheden alsmede voor de verlichting van het werkterrein, over adequate verlichtingsmiddelen.
4. Bij aanwezigheid van waterrijke of drassige gebieden op of in de onmiddellijke omgeving van het luchtvaartterrein, draagt de exploitant zorg voor voldoende en doelmatige reddingsmiddelen met het oog op die gebieden.
5. Op één van de voertuigen, vermeld in bijlage B, behorend bij deze regeling, of een ander daartoe ingericht voertuig zijn adequate reddingsmiddelen aanwezig voor de onmiddellijke hulpverlening.
6. Op gecontroleerde luchtvaartterreinen en luchtvaartterreinen waarvan de brandrisicoklasse 4 of hoger bedraagt, zijn de brandweervoertuigen voorzien van adequate verbindingsapparatuur voor de communicatie met tenminste:
a. de brandweervoertuigen onderling;
b. de meldingspost;
c. de plaatselijke luchtverkeersdienst, en
d. de leidinggevende van de brandweer met de gemeentelijke of regionale brandweer.
7. Het brandweerpersoneel beschikt over een uitrusting die zijn persoonlijke bescherming zo goed mogelijk waarborgt.