1. De in artikel 1bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het opsporen van:
a. de feiten strafbaar gesteld bij de artikelen 160, 161, 173a, 173b, 179, 180, 184, 199, 200, 225 en 461 van het Wetboek van Strafrecht;
b. feiten strafbaar gesteld bij of krachtens de in artikel 1a van de Wet op de economische delicten genoemde wetten, met uitzondering van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen;
c. overtreding van bepalingen, strafbaar gesteld bij of krachtens de Wet op de waterhuishouding;
d. overtreding van bepalingen, strafbaar gesteld bij of krachtens de Scheepvaartverkeerswet;
e. andere strafbare feiten, indien en voorzover zij in een concreet opsporingsonderzoek door een Officier van Justitie daarmee worden belast, voor de duur van het onderzoek.
2. De opsporingsbevoegdheid strekt zich uit tot het grondgebied van het waterschap waarbij de desbetreffende buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam is.