1. De kosten van de commissie komen, voor zover goedgekeurd, voor rekening van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De commissie biedt zo spoedig mogelijk na zijn instelling een begroting aan de staatssecretaris aan.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde kosten worden in ieder geval verstaan:
a. De kosten voor vergaderen, materiële en secretariële ondersteuning;
b. Een vergoeding voor door de leden van de commissie te maken reis- en verblijfkosten;
c. De kosten voor het inschakelen van externe deskundigheid en het laten verrichten van onderzoek; en
d. De kosten van publicatie van rapportages.
3. Op de leden van de commissie is het
Reisbesluit binnenland(Stb. 1993, 144) en het
Vacatiegeldenbesluit 1988van toepassing, tenzij anders overeengekomen.