BWBR0016726
Geldig vanaf 2004-06-30
Artikel V
Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel
1. Diensten van de informatiemaatschappij als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005291/artikel/15d" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 15d, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek</a>, voldoen aan de daarvoor in de lidstaat van de Europese Unie van vestiging van de dienstverlener geldende bepalingen die vallen binnen het gecoördineerd gebied als bedoeld in Richtlijn 2000/31/EGvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 8 juni 2000, betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt.
2. In het bijzonder is een in Nederland gevestigde verlener van diensten als bedoeld in lid 1 tegenover een afnemer, gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, gebonden aan de <a href="/wet/BWBR0005291/artikel/15d" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 15d</a>en <a href="/wet/BWBR0005291/artikel/15e" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">15e van Boek 3</a>alsmede de <a href="/wet/BWBR0005289/artikel/227b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 227b</a>en <a href="/wet/BWBR0005289/artikel/227c" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">227c van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek</a>.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder lidstaat van de Europese Unie mede verstaan een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebieden vermeld in de bijlage bij Richtlijn 2000/31/EGvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 8 juni 2000, betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt.
5. In afwijking van het eerste lid kunnen maatregelen worden genomen ten aanzien van een bepaalde dienst van de informatiemaatschappij, indien:
a. de maatregelen noodzakelijk zijn in verband met: – de openbare orde, in het bijzonder de preventie van, het onderzoek naar, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, waaronder begrepen de bescherming van minderjarigen en de bestrijding van het aanzetten tot haat wegens ras, geslacht, godsdienst of nationaliteit en van schendingen van de menselijke waardigheid ten aanzien van individuen,
– de bescherming van de volksgezondheid,
– de openbare veiligheid, met inbegrip van het waarborgen van de nationale veiligheid en defensie,
– de bescherming van consumenten, met inbegrip van beleggers;
– de openbare orde, in het bijzonder de preventie van, het onderzoek naar, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, waaronder begrepen de bescherming van minderjarigen en de bestrijding van het aanzetten tot haat wegens ras, geslacht, godsdienst of nationaliteit en van schendingen van de menselijke waardigheid ten aanzien van individuen,
– de bescherming van de volksgezondheid,
– de openbare veiligheid, met inbegrip van het waarborgen van de nationale veiligheid en defensie,
– de bescherming van consumenten, met inbegrip van beleggers;
b. de maatregelen niet verder gaan dan nodig is om aantasting van de onder a genoemde belangen op te heffen of een ernstig gevaar daarvoor af te wenden;
c. de lidstaat waar de verlener van de desbetreffende dienst is gevestigd tevoren is verzocht maatregelen te nemen, maar deze niet of in onvoldoende mate zijn genomen, alsmede de Europese Commissie en deze lidstaat tevoren in kennis zijn gesteld van het voornemen de maatregelen te nemen.
6. In gevallen waarin in verband met de in het vijfde lid, onder a, genoemde belangen onverwijld moet worden opgetreden, kan worden afgeweken van het vijfde lid, onder c. In dat geval worden de Europese Commissie en de desbetreffende lidstaat onverwijld in kennis gesteld van de genomen maatregelen en van de redenen waarom van het vijfde lid, onder c, is afgeweken.
2. In het bijzonder is een in Nederland gevestigde verlener van diensten als bedoeld in lid 1 tegenover een afnemer, gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, gebonden aan de <a href="/wet/BWBR0005291/artikel/15d" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 15d</a>en <a href="/wet/BWBR0005291/artikel/15e" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">15e van Boek 3</a>alsmede de <a href="/wet/BWBR0005289/artikel/227b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 227b</a>en <a href="/wet/BWBR0005289/artikel/227c" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">227c van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek</a>.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder lidstaat van de Europese Unie mede verstaan een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebieden vermeld in de bijlage bij Richtlijn 2000/31/EGvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 8 juni 2000, betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt.
5. In afwijking van het eerste lid kunnen maatregelen worden genomen ten aanzien van een bepaalde dienst van de informatiemaatschappij, indien:
a. de maatregelen noodzakelijk zijn in verband met: – de openbare orde, in het bijzonder de preventie van, het onderzoek naar, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, waaronder begrepen de bescherming van minderjarigen en de bestrijding van het aanzetten tot haat wegens ras, geslacht, godsdienst of nationaliteit en van schendingen van de menselijke waardigheid ten aanzien van individuen,
– de bescherming van de volksgezondheid,
– de openbare veiligheid, met inbegrip van het waarborgen van de nationale veiligheid en defensie,
– de bescherming van consumenten, met inbegrip van beleggers;
– de openbare orde, in het bijzonder de preventie van, het onderzoek naar, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, waaronder begrepen de bescherming van minderjarigen en de bestrijding van het aanzetten tot haat wegens ras, geslacht, godsdienst of nationaliteit en van schendingen van de menselijke waardigheid ten aanzien van individuen,
– de bescherming van de volksgezondheid,
– de openbare veiligheid, met inbegrip van het waarborgen van de nationale veiligheid en defensie,
– de bescherming van consumenten, met inbegrip van beleggers;
b. de maatregelen niet verder gaan dan nodig is om aantasting van de onder a genoemde belangen op te heffen of een ernstig gevaar daarvoor af te wenden;
c. de lidstaat waar de verlener van de desbetreffende dienst is gevestigd tevoren is verzocht maatregelen te nemen, maar deze niet of in onvoldoende mate zijn genomen, alsmede de Europese Commissie en deze lidstaat tevoren in kennis zijn gesteld van het voornemen de maatregelen te nemen.
6. In gevallen waarin in verband met de in het vijfde lid, onder a, genoemde belangen onverwijld moet worden opgetreden, kan worden afgeweken van het vijfde lid, onder c. In dat geval worden de Europese Commissie en de desbetreffende lidstaat onverwijld in kennis gesteld van de genomen maatregelen en van de redenen waarom van het vijfde lid, onder c, is afgeweken.