BWBR0016628
Geldig vanaf 2004-04-29
Artikel 2
Regeling tijdelijke garantie ontslaguitkeringen SWOV
1. De Minister vult over de boekjaren 2004 tot en met 2010 eventuele tekorten in het fonds aan voorzover:
a. deze tekorten voortkomen uit ontslaguitkeringen van de SWOV jegens ex-werknemers;
b. deze ontslaguitkeringen onderbouwd zijn met een door de Minister goedgekeurd afvloeiingsplan, dan wel voortvloeien uit een uitspraak van de rechter of toestemming van de Centrale organisatie werk en inkomen;
c. de ontslaguitkeringen niet betaald kunnen worden uit het fonds;
d. de ontslaguitkeringen leiden tot uitkeringen aan ex-werknemers die niet afwijken van en niet uitgaan boven uitkeringen die kunnen worden gedaan op grond van de regeling die op dat moment voor ambtenaren van de sector Rijk van toepassing is;
e. de SWOV aantoonbaar al het mogelijke heeft gedaan om aanspraken op ontslaguitkeringen te minimaliseren, en
f. de SWOV van de werking van deze regeling jaarlijks verslag doet in het jaarverslag, bedoeld in artikel 391, van Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek.
2. De aanvulling, bedoeld in het eerste lid, zal een formatieve omvang van 50 fte’s niet overschrijden.
a. deze tekorten voortkomen uit ontslaguitkeringen van de SWOV jegens ex-werknemers;
b. deze ontslaguitkeringen onderbouwd zijn met een door de Minister goedgekeurd afvloeiingsplan, dan wel voortvloeien uit een uitspraak van de rechter of toestemming van de Centrale organisatie werk en inkomen;
c. de ontslaguitkeringen niet betaald kunnen worden uit het fonds;
d. de ontslaguitkeringen leiden tot uitkeringen aan ex-werknemers die niet afwijken van en niet uitgaan boven uitkeringen die kunnen worden gedaan op grond van de regeling die op dat moment voor ambtenaren van de sector Rijk van toepassing is;
e. de SWOV aantoonbaar al het mogelijke heeft gedaan om aanspraken op ontslaguitkeringen te minimaliseren, en
f. de SWOV van de werking van deze regeling jaarlijks verslag doet in het jaarverslag, bedoeld in artikel 391, van Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek.
2. De aanvulling, bedoeld in het eerste lid, zal een formatieve omvang van 50 fte’s niet overschrijden.