Aan de hoofden, bedoeld in de artikelen 2 tot en met 4, wordt mandaat en machtiging verleend met betrekking tot:
a. het nemen van besluiten over en het vaststellen en ondertekenen van stukken die betrekking hebben op de personeelsaangelegenheden ten behoeve van de eigen organisatorische eenheid voorzover het betreft: 1°. het opmaken, niet zijnde vaststellen, van beoordelingen;
2°. het houden van manager–medewerkergesprekken;
3°. verlof;
4°. kleine beloningen, niet zijnde gratificaties, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de directeur;
1°. het opmaken, niet zijnde vaststellen, van beoordelingen;
2°. het houden van manager–medewerkergesprekken;
3°. verlof;
4°. kleine beloningen, niet zijnde gratificaties, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de directeur;
b. het afdoen van stukken, met uitzondering van stukken waarvan, gelet op het belang daarvan, redelijkerwijze kan worden vermoed, dat deze door de directeur Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetging moeten worden afgedaan.