1. Voor het gebruiken van grond op of in de bodem wordt vrijstelling verleend van de immissiewaarden voor antimoon, molybdeen, seleen en vanadium, zoals aangegeven in
bijlage 2, mits de concentratie van die stoffen in de betreffende grond de waarde, zoals aangegeven in bijlage A bij deze regeling, niet overschrijdt.
2. De bepaling van de concentratie, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats overeenkomstig de volgende methoden:
a. de monstervoorbehandeling en de ontsluiting van het monster overeenkomstig het Accreditatie-programma Bouwstoffenbesluit (AP 04);
b. de analyse van het destruaat van het monster overeenkomstig de normvoorschriften, zoals aangegeven in bijlage B bij deze regeling.
3. De bepaling, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats door een laboratorium dat is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie op grond van NEN-EN-ISO / IEC 17025, uitgave 2000 voor een van de in bijlage B bij deze regelingopgenomen NEN-normen voor de matrix bodem.
4. Met de methoden, bedoeld in het tweede lid, worden gelijkgesteld methoden die worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en die een kwaliteitsniveau waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
5. Met het laboratorium, bedoeld in het derde lid, wordt gelijkgesteld een laboratorium dat is geaccrediteerd door een bevoegde accreditatie-instelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en dat een kwaliteitsniveau waarborgt dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.