BWBR0016363
Geldig vanaf 2004-02-14
Artikel 11
Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit secretaris-generaal SZW 2004
1. De directeuren van de directies, genoemd in artikel 2, onder a, b, c en d, kunnen hun vertegenwoordigingsbevoegdheden in een door hen te bepalen omvang doorverlenen aan onder hen ressorterende functionarissen, met dien verstande dat bevoegdheden met betrekking tot personeelsaangelegenheden slechts kunnen worden doorverleend aan rechtstreeks onder hen ressorterende functionarissen en slechts voor zover het betreft:
a. het opmaken, niet zijnde vaststellen, van een beoordeling van medewerkers;
b. het houden van manager-medewerker gesprekken;
c. verlof van medewerkers;
d. kleine beloningen, niet zijnde gratificaties, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de directeur.
2. De algemeen directeur van de Arbeidsinspectie kan zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid in de door hem te bepalen omvang doorverlenen aan onder hem ressorterende functionarissen, met dien verstande dat doorverlening van bevoegdheden met betrekking tot personeelsaangelegenheden aan functionarissen, niet zijnde Arbeidsinspectie-directeuren, slechts is toegestaan voor zover het gaat om hoofden van afdelingen, managers, teamleiders of door de algemeen directeur van de Arbeidsinspectie aan te wijzen medewerkers en slechts voor zover het betreft:
a. het opmaken, niet zijnde vaststellen, van een beoordeling van medewerkers;
b. het houden van manager-medewerker gesprekken;
c. verlof van medewerkers;
d. kleine beloningen, niet zijnde gratificaties, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de directeur.
3. In afwijking van het eerste lid kunnen directeuren bevoegdheden met betrekking tot personeelsaangelegenheden, genoemd in het eerste lid, onder a tot en met d, doorverlenen aan functionarissen die rechtstreeks ressorteren onder rechtstreeks onder hen ressorterende functionarissen voor zover dit noodzakelijk is vanwege de organisatiestructuur van de directie en voorzover de secretaris-generaal daar schriftelijk mee instemt.
4. Onverminderd het bepaalde in het eerste en het tweede lid kunnen directeuren hun vertegenwoordigingsbevoegdheden doorverlenen aan functionarissen van een ander organisatieonderdeel, mits de betreffende functionaris daarmee schriftelijk instemt.
5. De (door)verlening van (onder-)mandaat, volmacht en machtiging kan uitsluitend bij een schriftelijk besluit geschieden.
a. het opmaken, niet zijnde vaststellen, van een beoordeling van medewerkers;
b. het houden van manager-medewerker gesprekken;
c. verlof van medewerkers;
d. kleine beloningen, niet zijnde gratificaties, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de directeur.
2. De algemeen directeur van de Arbeidsinspectie kan zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid in de door hem te bepalen omvang doorverlenen aan onder hem ressorterende functionarissen, met dien verstande dat doorverlening van bevoegdheden met betrekking tot personeelsaangelegenheden aan functionarissen, niet zijnde Arbeidsinspectie-directeuren, slechts is toegestaan voor zover het gaat om hoofden van afdelingen, managers, teamleiders of door de algemeen directeur van de Arbeidsinspectie aan te wijzen medewerkers en slechts voor zover het betreft:
a. het opmaken, niet zijnde vaststellen, van een beoordeling van medewerkers;
b. het houden van manager-medewerker gesprekken;
c. verlof van medewerkers;
d. kleine beloningen, niet zijnde gratificaties, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de directeur.
3. In afwijking van het eerste lid kunnen directeuren bevoegdheden met betrekking tot personeelsaangelegenheden, genoemd in het eerste lid, onder a tot en met d, doorverlenen aan functionarissen die rechtstreeks ressorteren onder rechtstreeks onder hen ressorterende functionarissen voor zover dit noodzakelijk is vanwege de organisatiestructuur van de directie en voorzover de secretaris-generaal daar schriftelijk mee instemt.
4. Onverminderd het bepaalde in het eerste en het tweede lid kunnen directeuren hun vertegenwoordigingsbevoegdheden doorverlenen aan functionarissen van een ander organisatieonderdeel, mits de betreffende functionaris daarmee schriftelijk instemt.
5. De (door)verlening van (onder-)mandaat, volmacht en machtiging kan uitsluitend bij een schriftelijk besluit geschieden.