1. Het is verboden met een vissersvaartuig met een lengte over alles van ten minste 10 meter de visserij uit te oefenen in de gereglementeerde geografische gebieden met gereglementeerde typen vistuig en die typen vistuig aan boord te houden.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op een vissersvaartuig, indien:
a. de minister ten aanzien van het vissersvaartuig voor de beheersperiode een speciaal visdocument heeft afgegeven als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van verordening nr. 1342/2008, ten aanzien van het betreffende gereglementeerde geografisch gebied en categorie vistuig;
b. de kapitein van het vissersvaartuig of zijn vertegenwoordiger heeft gemeld welk type of welke typen gereglementeerd vistuig hij in welk gebied gaat gebruiken in de betreffende beheersperiode;
c. de voor de houders van een speciaal visdocument beschikbare visserij-inspanning per gereglementeerd geografisch gebied en vistuigcategorie, vermeld in bijlage 1, voor de beheersperiode nog niet is opgebruikt en
d. het vissersvaartuig behoort tot de vlootsegmenten MFL1 of MFL2 en is geregistreerd in het visserijregister, bedoeld in artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998.
3. De minister geeft het speciale visdocument, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, slechts af ten aanzien van een vaartuig:
a. dat in de kalenderjaren 2006 tot en met 2008 heeft gevist in de gereglementeerde geografische gebieden met een of meerdere gereglementeerde vistuigen;
b. ten aanzien waarvan op 1 januari 2009 een onomkeerbare investeringsverplichting is aangegaan met het oog op visserij in de gereglementeerde geografische gebieden en met de gereglementeerde typen vistuigen, of
c. dat dient ter vervanging van een vissersvaartuig of vissersvaartuigen ten aanzien waarvan het recht op een speciaal visdocument als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, bestond op grond van het tweede en derde lid, onderdeel a of b, en de houder van dat document afstand heeft gedaan van dat recht ten gunste van de aanvrager van het speciale visdocument en het motorvermogen van dat vissersvaartuig niet meer bedraagt dan het motorvermogen van het vissersvaartuig of de vissersvaartuigen die worden vervangen.
4. De minister maakt het tijdstip bekend waarop naar zijn oordeel de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde hoeveelheden visserij-inspanning zijn opgebruikt.
5. De minister kan weigeren een speciaal visdocument af te geven of een speciaal visdocument intrekken indien hij dit noodzakelijk acht ter nakoming van communautaire verplichtingen.
6. De minister geeft een speciaal visdocument als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, ten aanzien van de gereglementeerde vistuigen BT1 en BT2 slechts af voor een vissersvaartuig waaraan contingenten tong en schol zijn toegekend op grond van
artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling contingentering zeevis.