BWBR0016333
Geldig vanaf 2005-01-16
Artikel 3
Beleidsregels financieel maatregelenbeleid IOAW, IOAZ, Bbz 2004 en WWIK
1. Voor de toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in de artikelen 59d, derde lid, aanhef en onder b, van de IOAW, 59d, derde lid, aanhef en onder b, van de IOAZ, 55, derde lid, aanhef en onder b, van het Bbz 2004en 50, vijfde lid, aanhef en onder b, van de WWIKis vereist dat burgemeester en wethouders daartoe een verzoek indienen bij de minister, als onderdeel van het verslag over de uitvoering over het betreffende vergoedingsjaar.
2. In het in het eerste lid bedoelde verzoek lichten burgemeester en wethouders toe dat de activiteiten een integraal karakter hebben gehad en hebben geleid tot een structurele opheffing van tekortkomingen.
3. Bij het in eerste lid bedoelde verzoek tonen burgemeester en wethouders op basis van verantwoordingsinformatie aan, dat de activiteiten hebben geleid tot een structurele opheffing van de tekortkomingen en dat deze tekortkomingen niet langer hebben geduurd dan een periode van zes maanden.
4. De periode waarover de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid wordt toegepast, bedraagt ten hoogste zes maanden.
5. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid wordt niet toegepast binnen een periode van drie jaar, te rekenen vanaf het vergoedingsjaar waarover eerder toepassing is gegeven aan het zelfstandig beroep of aan een verbetertraject.
6. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid wordt niet toegepast, indien de tekortkoming voortkomt uit een bewuste beslissing van het college van burgemeester en wethouders tot een uitvoering in strijd met de IOAW, IOAZ, Bbz 2004of WWIK.
2. In het in het eerste lid bedoelde verzoek lichten burgemeester en wethouders toe dat de activiteiten een integraal karakter hebben gehad en hebben geleid tot een structurele opheffing van tekortkomingen.
3. Bij het in eerste lid bedoelde verzoek tonen burgemeester en wethouders op basis van verantwoordingsinformatie aan, dat de activiteiten hebben geleid tot een structurele opheffing van de tekortkomingen en dat deze tekortkomingen niet langer hebben geduurd dan een periode van zes maanden.
4. De periode waarover de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid wordt toegepast, bedraagt ten hoogste zes maanden.
5. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid wordt niet toegepast binnen een periode van drie jaar, te rekenen vanaf het vergoedingsjaar waarover eerder toepassing is gegeven aan het zelfstandig beroep of aan een verbetertraject.
6. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid wordt niet toegepast, indien de tekortkoming voortkomt uit een bewuste beslissing van het college van burgemeester en wethouders tot een uitvoering in strijd met de IOAW, IOAZ, Bbz 2004of WWIK.