BWBR0016241
Geldig vanaf 2004-01-01
Artikel 3
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaren Dienst Vervoer & Ondersteuning 2004
1. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewoon opsporingsambtenaar strekt zich uit tot de strafbare feiten genoemd in:
a. de artikelen 177, 179 tot en met 182, 184, 191 en 461, van het Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet en de artikelen 13, eerste lid, 26, eerste en vijfde lid, en 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
b. andere strafbare feiten, indien en voor zover zij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie worden belast voor de duur van dat onderzoek.
2. De in het eerste lid genoemde opsporingsbevoegdheid geldt voor geheel Nederland.
a. de artikelen 177, 179 tot en met 182, 184, 191 en 461, van het Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet en de artikelen 13, eerste lid, 26, eerste en vijfde lid, en 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
b. andere strafbare feiten, indien en voor zover zij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie worden belast voor de duur van dat onderzoek.
2. De in het eerste lid genoemde opsporingsbevoegdheid geldt voor geheel Nederland.