BWBR0016079
Geldig vanaf 2004-01-01
Artikel 8
Mandaatbesluit artikelen 26, 90b en 90c van de Wet toezicht kredietwezen 1992
De Bank oefent in de gevallen, waarin zij op grond van dit besluit bevoegd is vanwege de Minister verklaringen van geen bezwaar te verlenen en daarmee samenhangende bevoegdheden uit te oefenen, de volgende bevoegdheden uit:
1. het opleggen van een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 90b, eerste lid, van de wet terzake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 23, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 24, eerste, derde, vierde en zesde lid, 25a, tweede en derde lid, 26, achtste lid, van de wet;
2. het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 90c, eerste lid, van de wet terzake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 23, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 24, eerste, derde, vierde en zesde lid, 25a, tweede en derde lid, 26, achtste lid, van de wet;
3. de bevoegdheden, bedoeld in Hoofdstuk XIIIB van de wet, die noodzakelijk zijn met betrekking tot het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete terzake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 23, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 24, eerste, derde, vierde en zesde lid, 25a, tweede en derde lid, 26, achtste lid, van de wet.
1. het opleggen van een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 90b, eerste lid, van de wet terzake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 23, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 24, eerste, derde, vierde en zesde lid, 25a, tweede en derde lid, 26, achtste lid, van de wet;
2. het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 90c, eerste lid, van de wet terzake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 23, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 24, eerste, derde, vierde en zesde lid, 25a, tweede en derde lid, 26, achtste lid, van de wet;
3. de bevoegdheden, bedoeld in Hoofdstuk XIIIB van de wet, die noodzakelijk zijn met betrekking tot het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete terzake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 23, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 24, eerste, derde, vierde en zesde lid, 25a, tweede en derde lid, 26, achtste lid, van de wet.