BWBR0016017
Geldig vanaf 2004-01-01
Artikel 7
Regeling tarieven Kadaster
1. Voor digitale raadpleging van gegevens uit een rechtszekerheidsregistratie of de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken, is verschuldigd per object:
a. indien het gegevens inzake hypotheken en beslagen betreft: € 3,50;
b. indien het andere gegevens betreft dan bedoeld onder a: € 3,50.
2. Onverminderd het eerste lid is degene die een abonnement heeft op digitale raadpleging van een rechtszekerheidsregistratie, als vergoeding voor de vaste kosten, per abonnementsperiode van een jaar verschuldigd: € 60,–. Bij aanvang van een abonnement gedurende een kalenderjaar is een evenredig bedrag voor de resterende periode verschuldigd.
3. In afwijking van het tweede lid is per abonnementsperiode van een jaar een bedrag verschuldigd van € 30,–, indien de krachtens het eerste lid verschuldigde bedragen automatisch door de Dienst worden geïncasseerd.
4. Voor digitale raadpleging van de objectlijst is per 20 objecten verschuldigd: € 0,90.
5. Voor digitale raadpleging van gegevens uit een rechtszekerheidsregistratie of de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken, door middel van een geautomatiseerd proces is verschuldigd, indien:
a. het gegevens inzake hypotheken en beslagen betreft: € 3,50;
b. het een negatieve mededeling betreft: € 1,50;
c. het andere gegevens betreft dan bedoeld onder a en b: € 3,50.
6. Onder een negatieve mededeling als bedoeld in het vijfde lid wordt verstaan: een mededeling, inhoudende dat de gevraagde gegevens omtrent een persoon ontbreken.
7. Voor het ter plekke bij de Dienst raadplegen van een rechtszekerheidsregistratie is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, waarbij het bedrag wordt vermeerderd met € 29,– per geraadpleegd object.
8. Voor de niet-geautomatiseerde toezending van een afschrift of een uittreksel als bedoeld in artikel 100, 101, eerste lid, of 102, eerste lid, van de wet, respectievelijk van een verklaring als bedoeld in artikel 101, tweede lid, of 102, tweede lid, van de wet is het vijfde lid van overeenkomstige toepassing, waarbij het bedrag wordt vermeerderd met:
a. bij toezending per elektronische post: € 13,– per object in het afschrift, het uittreksel of de verklaring;
b. bij toezending in papieren vorm: € 15,– per object in het afschrift, het uittreksel of de verklaring.
a. indien het gegevens inzake hypotheken en beslagen betreft: € 3,50;
b. indien het andere gegevens betreft dan bedoeld onder a: € 3,50.
2. Onverminderd het eerste lid is degene die een abonnement heeft op digitale raadpleging van een rechtszekerheidsregistratie, als vergoeding voor de vaste kosten, per abonnementsperiode van een jaar verschuldigd: € 60,–. Bij aanvang van een abonnement gedurende een kalenderjaar is een evenredig bedrag voor de resterende periode verschuldigd.
3. In afwijking van het tweede lid is per abonnementsperiode van een jaar een bedrag verschuldigd van € 30,–, indien de krachtens het eerste lid verschuldigde bedragen automatisch door de Dienst worden geïncasseerd.
4. Voor digitale raadpleging van de objectlijst is per 20 objecten verschuldigd: € 0,90.
5. Voor digitale raadpleging van gegevens uit een rechtszekerheidsregistratie of de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken, door middel van een geautomatiseerd proces is verschuldigd, indien:
a. het gegevens inzake hypotheken en beslagen betreft: € 3,50;
b. het een negatieve mededeling betreft: € 1,50;
c. het andere gegevens betreft dan bedoeld onder a en b: € 3,50.
6. Onder een negatieve mededeling als bedoeld in het vijfde lid wordt verstaan: een mededeling, inhoudende dat de gevraagde gegevens omtrent een persoon ontbreken.
7. Voor het ter plekke bij de Dienst raadplegen van een rechtszekerheidsregistratie is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, waarbij het bedrag wordt vermeerderd met € 29,– per geraadpleegd object.
8. Voor de niet-geautomatiseerde toezending van een afschrift of een uittreksel als bedoeld in artikel 100, 101, eerste lid, of 102, eerste lid, van de wet, respectievelijk van een verklaring als bedoeld in artikel 101, tweede lid, of 102, tweede lid, van de wet is het vijfde lid van overeenkomstige toepassing, waarbij het bedrag wordt vermeerderd met:
a. bij toezending per elektronische post: € 13,– per object in het afschrift, het uittreksel of de verklaring;
b. bij toezending in papieren vorm: € 15,– per object in het afschrift, het uittreksel of de verklaring.