1. Op onderlinge waarborgmaatschappijen die op 20 maart 2002 in het bezit waren van een verklaring als bedoeld in
artikel 3, eerste lid, van het Besluit vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen 1994, blijven tot 20 maart 2007 de ingevolge
artikel 3, tweede lid, van het Besluit vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen 1994van toepassing verklaarde eisen van toepassing zoals deze luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
2. Indien een onderlinge waarborgmaatschappij als bedoeld in het eerste lid op 20 maart 2007 nog niet volledig voldoet aan de ingevolge
artikel 3, tweede lid, van het Besluit vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen 1994van toepassing verklaarde eisen, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer een aanvullende termijn van ten hoogste twee jaar toestaan, mits de onderlinge waarborgmaatschappij voor genoemde datum de maatregelen die zij voornemens is te nemen om de vereiste solvabiliteitsmarge te bereiken overeenkomstig
artikel 138, eerste, vierde en vijfde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993ter toestemming bij de Pensioen- & Verzekeringskamer heeft ingediend en de Pensioen- & Verzekeringskamer die toestemming heeft verleend.