BWBR0015704
Geldig vanaf 2004-01-01
Artikel 6
Invoeringswet Wet werk en bijstand
1. Onze Minister kan de verlening van bijstand aan een Nederlander die zich in het buitenland bevindt voortzetten ten aanzien van:
a. degene die in december 1995 bijstand ontving op grond van artikel 82 of artikel 95 van de Algemene Bijstandswet, welke bijstand niet is geëindigd;
b. degene die op enig moment in de periode van 26 weken onmiddellijk voorafgaand aan 31 december 1995 bijstand ontving op grond van artikel 82 van de Algemene Bijstandswet, welke bijstand in die periode is geëindigd, indien belanghebbende binnen 26 weken na die datum opnieuw bijstand aanvraagt.
2. De in het eerste lid bedoelde bijstand wordt afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende, rekening houdend met het niveau van de noodzakelijke kosten van het bestaan ter plaatse.
3. <a href="/wet/BWBR0015703" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Hoofdstuk 2</a>en de <a href="/wet/BWBR0015703" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">paragrafen 6.1 tot en met 6.5 van de Wet werk en bijstand</a>zijn, voor zover de omstandigheden het toelaten, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat Onze Minister in de plaats treedt van het college.
4. Zodra ten minste 26 weken zijn verstreken nadat de bijstand die werd verleend op grond van het eerste lid werd beëindigd, is dat lid ten aanzien van het desbetreffende geval niet langer van toepassing.
a. degene die in december 1995 bijstand ontving op grond van artikel 82 of artikel 95 van de Algemene Bijstandswet, welke bijstand niet is geëindigd;
b. degene die op enig moment in de periode van 26 weken onmiddellijk voorafgaand aan 31 december 1995 bijstand ontving op grond van artikel 82 van de Algemene Bijstandswet, welke bijstand in die periode is geëindigd, indien belanghebbende binnen 26 weken na die datum opnieuw bijstand aanvraagt.
2. De in het eerste lid bedoelde bijstand wordt afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende, rekening houdend met het niveau van de noodzakelijke kosten van het bestaan ter plaatse.
3. <a href="/wet/BWBR0015703" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Hoofdstuk 2</a>en de <a href="/wet/BWBR0015703" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">paragrafen 6.1 tot en met 6.5 van de Wet werk en bijstand</a>zijn, voor zover de omstandigheden het toelaten, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat Onze Minister in de plaats treedt van het college.
4. Zodra ten minste 26 weken zijn verstreken nadat de bijstand die werd verleend op grond van het eerste lid werd beëindigd, is dat lid ten aanzien van het desbetreffende geval niet langer van toepassing.