BWBR0015695
Geldig vanaf 2003-12-02
Artikel 2
Besluit adviescommissie ongeschiktheidsontslag rechterlijke ambtenaren
1. De commissie bestaat uit:
a. een president van een gerecht;
b. een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast;
c. een lid van een gerechtsbestuur, niet zijnde president.
2. Een lid van de commissie kan niet lid zijn van de Hoge Raad of de Raad voor de rechtspraak.
3. De leden, bedoeld in het eerste lid, zijn werkzaam bij verschillende gerechten.
4. De leden, bedoeld in het eerste lid, onder a en c, worden aangewezen door de Raad voor de rechtspraak. Het lid, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt aangewezen door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak.
5. Voor elk lid wordt een plaatsvervanger aangewezen overeenkomstig het eerste tot en met vierde lid, met dien verstande dat indien het lid, bedoeld in het eerste lid, onder c, een rechterlijk lid van een gerechtsbestuur is, als diens plaatsvervanger een niet-rechterlijk lid van een gerechtsbestuur wordt aangewezen en indien dat lid een niet-rechterlijk lid van een gerechtsbestuur is, als diens plaatsvervanger een rechterlijk lid van een gerechtsbestuur wordt aangewezen. Een lid van de commissie wordt in ieder geval vervangen door zijn plaatsvervanger indien de adviesaanvraag betrekking heeft op een rechterlijk ambtenaar die werkzaam is bij hetzelfde gerecht als dat lid. Het lid, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt in ieder geval vervangen indien de adviesaanvraag betrekking heeft op een voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar die werkzaam is bij het parket bij de Hoge Raad.
6. Voor de gevallen dat de adviesaanvraag betrekking heeft op een voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar die werkzaam is bij het parket bij de Hoge Raad, wordt voor het lid, bedoeld in het eerste lid, onder b, als plaatsvervanger aangewezen een voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar die werkzaam is bij het parket bij de Hoge Raad, niet zijnde de procureur-generaal bij de Hoge Raad of diens plaatsvervanger. Deze plaatsvervanger wordt aangewezen door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak.
7. Als voorzitter en als plaatsvervangend voorzitter van de commissie treden op het lid, bedoeld in het eerste lid, onder a, en diens plaatsvervanger.
8. De leden en de plaatsvervangende leden van de commissie worden door Onze Minister benoemd voor een periode van vijf jaar.
9. De leden en de plaatsvervangende leden van de commissie kunnen worden herbenoemd.
a. een president van een gerecht;
b. een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast;
c. een lid van een gerechtsbestuur, niet zijnde president.
2. Een lid van de commissie kan niet lid zijn van de Hoge Raad of de Raad voor de rechtspraak.
3. De leden, bedoeld in het eerste lid, zijn werkzaam bij verschillende gerechten.
4. De leden, bedoeld in het eerste lid, onder a en c, worden aangewezen door de Raad voor de rechtspraak. Het lid, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt aangewezen door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak.
5. Voor elk lid wordt een plaatsvervanger aangewezen overeenkomstig het eerste tot en met vierde lid, met dien verstande dat indien het lid, bedoeld in het eerste lid, onder c, een rechterlijk lid van een gerechtsbestuur is, als diens plaatsvervanger een niet-rechterlijk lid van een gerechtsbestuur wordt aangewezen en indien dat lid een niet-rechterlijk lid van een gerechtsbestuur is, als diens plaatsvervanger een rechterlijk lid van een gerechtsbestuur wordt aangewezen. Een lid van de commissie wordt in ieder geval vervangen door zijn plaatsvervanger indien de adviesaanvraag betrekking heeft op een rechterlijk ambtenaar die werkzaam is bij hetzelfde gerecht als dat lid. Het lid, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt in ieder geval vervangen indien de adviesaanvraag betrekking heeft op een voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar die werkzaam is bij het parket bij de Hoge Raad.
6. Voor de gevallen dat de adviesaanvraag betrekking heeft op een voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar die werkzaam is bij het parket bij de Hoge Raad, wordt voor het lid, bedoeld in het eerste lid, onder b, als plaatsvervanger aangewezen een voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar die werkzaam is bij het parket bij de Hoge Raad, niet zijnde de procureur-generaal bij de Hoge Raad of diens plaatsvervanger. Deze plaatsvervanger wordt aangewezen door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak.
7. Als voorzitter en als plaatsvervangend voorzitter van de commissie treden op het lid, bedoeld in het eerste lid, onder a, en diens plaatsvervanger.
8. De leden en de plaatsvervangende leden van de commissie worden door Onze Minister benoemd voor een periode van vijf jaar.
9. De leden en de plaatsvervangende leden van de commissie kunnen worden herbenoemd.