BWBR0015632
Geldig vanaf 2003-10-01
Artikel 2
Mandaatbesluit directie Voedings- en Veterinaire aangelegenheden
De directeur, de plaatsvervangend directeur, de Chief Veterinary Officer en de plaatsvervangend Chief Veterinary Officer zijn gemachtigd om namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit te beslissen en stukken te ondertekenen betreffende:
a. de registratie van diergeneesmiddelen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet, alsmede schorsingen en doorhalingen ingevolge de artikelen 10 en 11 van de Diergeneesmiddelenwet;
b. de beslissing ter zake van uitverkoop- en opgebruik termijnen, bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Algemene uitverkoop- en opgebruikregeling diergeneesmiddelen;
c. de vergunning voor het bereiden, verpakken etiketteren of afleveren van diergeneesmiddelen, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet;
d. de ontheffing, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet;
e. de vergoeding, bedoeld in artikel 44 van de Veewet;
f. de aanwijzing, bedoeld in artikel 29 van de Diergeneesmiddelenwet;
g. de beantwoording van aan de minister gerichte individuele brieven, zijn werkterrein betreffende, voor zover het antwoord zich beperkt tot een beschrijving van vigerend beleid en niet van politieke betekenis is, terwijl ook overigens uit de aard en inhoud van de desbetreffende brieven niet voortvloeit dat de beantwoording door de minister persoonlijk of namens hem door de Secretaris-Generaal dient te worden ondertekend.
a. de registratie van diergeneesmiddelen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet, alsmede schorsingen en doorhalingen ingevolge de artikelen 10 en 11 van de Diergeneesmiddelenwet;
b. de beslissing ter zake van uitverkoop- en opgebruik termijnen, bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Algemene uitverkoop- en opgebruikregeling diergeneesmiddelen;
c. de vergunning voor het bereiden, verpakken etiketteren of afleveren van diergeneesmiddelen, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet;
d. de ontheffing, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet;
e. de vergoeding, bedoeld in artikel 44 van de Veewet;
f. de aanwijzing, bedoeld in artikel 29 van de Diergeneesmiddelenwet;
g. de beantwoording van aan de minister gerichte individuele brieven, zijn werkterrein betreffende, voor zover het antwoord zich beperkt tot een beschrijving van vigerend beleid en niet van politieke betekenis is, terwijl ook overigens uit de aard en inhoud van de desbetreffende brieven niet voortvloeit dat de beantwoording door de minister persoonlijk of namens hem door de Secretaris-Generaal dient te worden ondertekend.