BWBR0015603
Geldig vanaf 2003-09-30
Artikel 4
Regeling eisen praktijkexamens rijbewijscategorie A
De aanvrager dient tijdens het praktijkexamen Verkeersdeelneming blijk te geven inzicht te hebben ten aanzien van de in artikel 3genoemde handelingen en manoeuvres door middel van:
a. het letten op tekens en overige aanduidingen op de weg;
b. het tijdig en op juiste wijze geven van signalen aan de overige weggebruikers en tijdig en op juiste wijze te reageren op signalen van de overige weggebruikers;
c. het adequaat reageren in gevaarlijke situaties en op onjuist gedrag van derden;
d. het tijdig en op juiste wijze reageren op tekens en aanwijzingen van bevoegde personen;
e. het permanent rekening te houden met (mogelijke) andere weggebruikers, in het bijzonder kwetsbare weggebruikers als voetgangers, fietsers e.d.;
f. rekening te houden met weg- en weersomstandigheden;
g. het op de juiste wijze verlenen van voorrang aan bestuurders en het voor laten gaan van weggebruikers die daar recht op hebben;
h. het innemen van de juiste plaats op de weg voor het uitvoeren van voorgenomen handelingen zoals inhalen, afslaan en stoppen, en het daarvoor geschikte dan wel bestemde weggedeelte te kiezen;
i. het houden van voldoende volgafstand ten opzichte van de overige weggebruikers;
j. te rijden met een veilige, aan de verkeersomstandigheden aangepaste snelheid en daarbij de geldende maximumsnelheid niet te overschrijden.
a. het letten op tekens en overige aanduidingen op de weg;
b. het tijdig en op juiste wijze geven van signalen aan de overige weggebruikers en tijdig en op juiste wijze te reageren op signalen van de overige weggebruikers;
c. het adequaat reageren in gevaarlijke situaties en op onjuist gedrag van derden;
d. het tijdig en op juiste wijze reageren op tekens en aanwijzingen van bevoegde personen;
e. het permanent rekening te houden met (mogelijke) andere weggebruikers, in het bijzonder kwetsbare weggebruikers als voetgangers, fietsers e.d.;
f. rekening te houden met weg- en weersomstandigheden;
g. het op de juiste wijze verlenen van voorrang aan bestuurders en het voor laten gaan van weggebruikers die daar recht op hebben;
h. het innemen van de juiste plaats op de weg voor het uitvoeren van voorgenomen handelingen zoals inhalen, afslaan en stoppen, en het daarvoor geschikte dan wel bestemde weggedeelte te kiezen;
i. het houden van voldoende volgafstand ten opzichte van de overige weggebruikers;
j. te rijden met een veilige, aan de verkeersomstandigheden aangepaste snelheid en daarbij de geldende maximumsnelheid niet te overschrijden.