BWBR0015591
Geldig vanaf 2004-04-21
Artikel 4:2
Mandaat- en volmachtbesluit secretaris-generaal BZK (MV-besluit secretaris-generaal BZK)
1. Aan de ministers is voorbehouden het afdoen en ondertekenen van stukken aan:
a) de Koningin;
b) de Raad van Ministers (van het Koninkrijk) en daaruit gevormde onderraden en commissies;
c) de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en de voorzitters van uit de Kamers gevormde commissies;
d) een minister of een staatssecretaris;
e) de Raad van State (van het Koninkrijk);
f) de Algemene Rekenkamer;
g) de Nationale Ombudsman;
h) de Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en Aruba;
i) de ministers van de Nederlandse Antillen en Aruba;
j) de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en Aruba;
k) de besturen van de eilandgebieden van de Nederlandse Antillen;
l) andere binnenlandse of buitenlandse autoriteiten, in rang gelijk aan of hoger dan een minister of een staatssecretaris.
2. Het eerste lid is niet van toepassing als het stuk van louter informatieve of administratieve aard is, dan wel een aangelegenheid betreft van ondergeschikt beleidsmatig of politiek belang.
3. In afwijking van het eerste lid kan in bijzondere gevallen voor bepaalde aangelegenheden door de minister aan de secretaris-generaal of een diensthoofd mandaat of een volmacht worden verleend.
a) de Koningin;
b) de Raad van Ministers (van het Koninkrijk) en daaruit gevormde onderraden en commissies;
c) de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en de voorzitters van uit de Kamers gevormde commissies;
d) een minister of een staatssecretaris;
e) de Raad van State (van het Koninkrijk);
f) de Algemene Rekenkamer;
g) de Nationale Ombudsman;
h) de Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en Aruba;
i) de ministers van de Nederlandse Antillen en Aruba;
j) de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en Aruba;
k) de besturen van de eilandgebieden van de Nederlandse Antillen;
l) andere binnenlandse of buitenlandse autoriteiten, in rang gelijk aan of hoger dan een minister of een staatssecretaris.
2. Het eerste lid is niet van toepassing als het stuk van louter informatieve of administratieve aard is, dan wel een aangelegenheid betreft van ondergeschikt beleidsmatig of politiek belang.
3. In afwijking van het eerste lid kan in bijzondere gevallen voor bepaalde aangelegenheden door de minister aan de secretaris-generaal of een diensthoofd mandaat of een volmacht worden verleend.