BWBR0015468
Geldig vanaf 2004-07-01
Artikel 3
Uitvoeringsregeling Gaswet
1. Het overzicht, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel q, achtste lid en negende lid, van de wet, brengt zowel de vraagzijde als de aanbodzijde van de gasbalans in kaart. Daarbij worden tevens de verwachte import- en exportstromen betrokken.
2. Bij de raming van de hoeveelheden hoog- en laagcalorisch gas, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel q, subonderdelen 1, 3 en 4, van de weten artikel 10a, achtste lid, onderdeel b, van de wet, wordt gebruikgemaakt van de temperatuurscenario's beschreven in het negende lid.
3. De benodigde capaciteit, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel q, subonderdeel 2, van de wet, wordt geraamd op basis van de omstandigheden beschreven in artikel 5, eerst lid, van verordening 2017/1938. Daarbij wordt de benodigde capaciteit bepaald op grond van de laagste gemiddelde effectieve etmaaltemperatuur die voorkomt met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de twintig jaar.
4. Het benodigde volume, bedoeld in artikel 10a, achtste lid, onderdeel a, subonderdeel 1, van de wet, wordt bepaald op grond van de gemiddelde effectieve temperatuur gedurende een zeven dagen durende koude periode die voorkomt met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de twintig jaar.
5. Het benodigde volume, bedoeld in artikel 10a, achtste lid, onderdeel a, subonderdeel 2, van de wet, wordt bepaald op grond van de gemiddelde effectieve temperatuur gedurende een koude periode van dertig dagen die voorkomt met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de twintig jaar.
6. Het benodigde volume, bedoeld in artikel 10a, achtste lid, onderdeel a, subonderdeel 3, van de wet, wordt bepaald op grond van de gemiddelde effectieve temperatuur gedurende een periode van dertig dagen die representatief is voor gemiddelde winterse omstandigheden.
7. In het overzicht van de vraag en vraagontwikkeling van hoog- en laagcalorisch gas, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel q, subonderdelen 1 en 4, artikel 10a, achtste lid, onderdeel f en artikel 10a, negende lid, onderdelen a en b, van de wet, wordt de vraag naar gas nader onderverdeeld in:
a. de verwachte binnenlandse gasvraag en de export per land;
b. ten aanzien van de binnenlandse vraag: onderscheid tussen de gasvraag van eindafnemers die zijn aangesloten op het landelijk gastransportnet, op een gastransportnet niet zijnde het landelijk gastransportnet en op een gesloten distributiesysteem;
c. ten aanzien van de eindafnemers die zijn aangesloten op het landelijk gastransportnet: onderscheid tussen de vraag van gascentrales en overige eindafnemers.
8. De benodigde hoeveelheden hoog- en laagcalorisch gas, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel q, subonderdeel 3, zien in ieder geval op de hoeveelheden hoog- en laagcalorisch gas uitgedrukt in TWh die op 1 november van het volgende kalenderjaar dienen te zijn opgeslagen.
9. De temperatuurscenario's, bedoeld in artikel 10a, negende lid, onderdeel b, van de wet, omvatten ten minste een koudste, een gemiddelde en een warmste scenario op basis van temperatuurprofielen van de afgelopen 20 jaar. De netbeheerder van het landelijk gastransportnet geeft aan welk gasjaar als referentie dient voor deze specifieke temperatuurscenario's.
10. Bij de berekening van de vraag naar gas gaat de netbeheerder van het landelijk gastransportnet ten minste uit van:
a. een systematiek van graaddagen, gebaseerd op het verschil tussen de gemiddelde effectieve etmaaltemperatuur en 14°C, volgens de formule: D = ∑ max[(14 – Teff),0]; en
b. temperatuurprofielen van de afgelopen 20 jaar op basis waarvan hij een verband legt tussen het aantal graaddagen en de vraag naar gas.
2. Bij de raming van de hoeveelheden hoog- en laagcalorisch gas, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel q, subonderdelen 1, 3 en 4, van de weten artikel 10a, achtste lid, onderdeel b, van de wet, wordt gebruikgemaakt van de temperatuurscenario's beschreven in het negende lid.
3. De benodigde capaciteit, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel q, subonderdeel 2, van de wet, wordt geraamd op basis van de omstandigheden beschreven in artikel 5, eerst lid, van verordening 2017/1938. Daarbij wordt de benodigde capaciteit bepaald op grond van de laagste gemiddelde effectieve etmaaltemperatuur die voorkomt met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de twintig jaar.
4. Het benodigde volume, bedoeld in artikel 10a, achtste lid, onderdeel a, subonderdeel 1, van de wet, wordt bepaald op grond van de gemiddelde effectieve temperatuur gedurende een zeven dagen durende koude periode die voorkomt met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de twintig jaar.
5. Het benodigde volume, bedoeld in artikel 10a, achtste lid, onderdeel a, subonderdeel 2, van de wet, wordt bepaald op grond van de gemiddelde effectieve temperatuur gedurende een koude periode van dertig dagen die voorkomt met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de twintig jaar.
6. Het benodigde volume, bedoeld in artikel 10a, achtste lid, onderdeel a, subonderdeel 3, van de wet, wordt bepaald op grond van de gemiddelde effectieve temperatuur gedurende een periode van dertig dagen die representatief is voor gemiddelde winterse omstandigheden.
7. In het overzicht van de vraag en vraagontwikkeling van hoog- en laagcalorisch gas, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel q, subonderdelen 1 en 4, artikel 10a, achtste lid, onderdeel f en artikel 10a, negende lid, onderdelen a en b, van de wet, wordt de vraag naar gas nader onderverdeeld in:
a. de verwachte binnenlandse gasvraag en de export per land;
b. ten aanzien van de binnenlandse vraag: onderscheid tussen de gasvraag van eindafnemers die zijn aangesloten op het landelijk gastransportnet, op een gastransportnet niet zijnde het landelijk gastransportnet en op een gesloten distributiesysteem;
c. ten aanzien van de eindafnemers die zijn aangesloten op het landelijk gastransportnet: onderscheid tussen de vraag van gascentrales en overige eindafnemers.
8. De benodigde hoeveelheden hoog- en laagcalorisch gas, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel q, subonderdeel 3, zien in ieder geval op de hoeveelheden hoog- en laagcalorisch gas uitgedrukt in TWh die op 1 november van het volgende kalenderjaar dienen te zijn opgeslagen.
9. De temperatuurscenario's, bedoeld in artikel 10a, negende lid, onderdeel b, van de wet, omvatten ten minste een koudste, een gemiddelde en een warmste scenario op basis van temperatuurprofielen van de afgelopen 20 jaar. De netbeheerder van het landelijk gastransportnet geeft aan welk gasjaar als referentie dient voor deze specifieke temperatuurscenario's.
10. Bij de berekening van de vraag naar gas gaat de netbeheerder van het landelijk gastransportnet ten minste uit van:
a. een systematiek van graaddagen, gebaseerd op het verschil tussen de gemiddelde effectieve etmaaltemperatuur en 14°C, volgens de formule: D = ∑ max[(14 – Teff),0]; en
b. temperatuurprofielen van de afgelopen 20 jaar op basis waarvan hij een verband legt tussen het aantal graaddagen en de vraag naar gas.