BWBR0015464
Geldig vanaf 2003-08-24
Artikel 2
Mandaatregeling Korps landelijke politiediensten 2003
1. De korpschef is bevoegd tot het in naam van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uitoefenen van het beheer van het Korps landelijke politiediensten, bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Politiewet 1993, alsmede van de taken en bevoegdheden ten aanzien van de verwerkingen van persoonsgegevens alsmede de politieregisters bij het Korps landelijke politiediensten, met uitzondering van hetgeen is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage.
2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden met betrekking tot het beheer kunnen niet worden uitgeoefend ten aanzien van de korpschef, de directeuren, de diensthoofden, de concerndiensthoofden en de hoofden van de stafafdelingen.
3. De korpschef kan ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden ondermandaat verlenen aan ambtenaren behorend tot het Korps landelijke politiediensten. Dit ondermandaat wordt schriftelijk verleend en aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ter kennis gebracht.
2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden met betrekking tot het beheer kunnen niet worden uitgeoefend ten aanzien van de korpschef, de directeuren, de diensthoofden, de concerndiensthoofden en de hoofden van de stafafdelingen.
3. De korpschef kan ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden ondermandaat verlenen aan ambtenaren behorend tot het Korps landelijke politiediensten. Dit ondermandaat wordt schriftelijk verleend en aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ter kennis gebracht.