BWBR0015463
Geldig vanaf 2008-12-04
Artikel 2d
Regeling erkenning jachtexamen en preparateursexamen Flora- en faunawet
1. Een dienstverrichter als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificatiesdie uitoefening wenst van het gereglementeerde beroep preparateur van dieren overlegt aan Onze Minister voor de eerste dienstverrichting de verklaring en de documenten, bedoeld in artikel 23, eerste, onderscheidenlijk derde lid, onderdelen a tot en met d, van die wet.
2. Onze Minister kan de beroepskwalificaties van de dienstverrichter controleren ten aanzien van de kennis van het gebruik van chemische stoffen.
3. Indien de beroepskwalificaties wezenlijk verschillen van de kennis van het gebruik van chemische stoffen, die vereist is voor het behalen van het preparateursexamen, bedoeld in artikel 62, tweede lid, kan Onze Minister de dienstverrichter laten aantonen dat hij de ontbrekende kennis heeft verworven, bijvoorbeeld door middel van een proeve van bekwaamheid.
4. Een dienstverrichter is vrijgesteld van artikel 62, eerste lid, van de Flora- en faunawettot uiterlijk een jaar na overlegging van de in het eerste lid bedoelde verklaring, zolang de minister niet op grond van het derde lid heeft vastgesteld dat de dienstverrichter niet bekwaam is voor de uitoefening van dit beroep.
2. Onze Minister kan de beroepskwalificaties van de dienstverrichter controleren ten aanzien van de kennis van het gebruik van chemische stoffen.
3. Indien de beroepskwalificaties wezenlijk verschillen van de kennis van het gebruik van chemische stoffen, die vereist is voor het behalen van het preparateursexamen, bedoeld in artikel 62, tweede lid, kan Onze Minister de dienstverrichter laten aantonen dat hij de ontbrekende kennis heeft verworven, bijvoorbeeld door middel van een proeve van bekwaamheid.
4. Een dienstverrichter is vrijgesteld van artikel 62, eerste lid, van de Flora- en faunawettot uiterlijk een jaar na overlegging van de in het eerste lid bedoelde verklaring, zolang de minister niet op grond van het derde lid heeft vastgesteld dat de dienstverrichter niet bekwaam is voor de uitoefening van dit beroep.