1. De buitengewoon opsporingsambtenaar genoemd in artikel 1, onder a, is bevoegd tot opsporing van feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:
de Wegenverkeerswet 1994 (de toepassing hiervan dient zich te beperken tot stilstaand verkeer);
de artikelen 177, 179, 180, 184, 266, 267 en 435, onder ten vierde, van het Wetboek van Strafrecht;
Verordeningen en/of Keuren voor zover betrokkene daarvoor door het bevoegde bestuursorgaan is aangewezen.
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar genoemd in artikel 1, onder b, is bevoegd tot opsporing van feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:
de Bestrijdingsmiddelenwet; de Destructiewet; de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet milieubeheer; de Wet milieugevaarlijke stoffen; de Arbeidsomstandighedenwet, de Wet bodembescherming, de Wegenverkeerswet 1994, de Wet op de ruimtelijke ordening, het Rijkszeeweringsreglement;
de artikelen 137c, 140, 141, 173a, 173b, 179, 180, 184, 188, 225, 310, 321, 326, 326a, 350, 351, 351bis, 362, 424, 425, 427, 429, onder ten eerste, 435, onder ten vierde, 437ter en 443 van het Wetboek van Strafrecht;
Verordeningen en/of Keuren voor zover betrokkene daarvoor door het bevoegde bestuursorgaan is aangewezen.
3. De buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in het eerste en tweede lid, is tevens bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens andere wetten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie is belast voor de duur van dat onderzoek.
4. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van de gemeente Rotterdam.