1. Degene die in het tijdvak tussen 31 december 1995 en het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gewezen politieke ambtsdrager was als bedoeld in
artikel 2, tweede lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, kan binnen twee maanden na dat tijdstip alsnog een aanmelding doen als bedoeld in
artikel 2a van die wet, indien dit op grond van dat artikel, zoals gewijzigd bij deze wet, in het vorenbedoelde tijdvak mogelijk zou zijn geweest. De aanmelding wordt beschouwd als te zijn gedaan op het tijdstip in dat tijdvak waarop dat ook overigens op grond van
artikel 2amogelijk zou zijn geweest.
2. In geval van overlijden tussen 31 december 1995 en twee maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van degene die op grond van het eerste lid alsnog een aanmelding had kunnen doen, wordt aan degene die op grond van het eerste lid aangemeld had kunnen worden, op diens aanvraag nabestandenpensioen toegekend met ingang van de dag van overlijden.
3. Degene die tussen 30 juni 1999 en het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet politieke ambtsdrager was als bedoeld in
artikel 2, tweede lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragersof gewezen politieke ambtsdrager en in dat tijdvak recht op pensioen heeft gekregen, kan binnen twee maanden na dat tijdstip alsnog de keuze doen als bedoeld in de bij deze wet gewijzigde
artikelen 13a,
58aen
138a.
4. De
artikelen 15,
17,
60,
62,
140en
142, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragerszoals die luidden voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing ten aanzien van een overlijden van degene wiens pensioengeldige tijd geheel is gelegen vóór 1 januari 1996.
5. De
artikelen 17, derde lid, onderdeel a,
62, derde lid, onderdeel a, en
142, derde lid, onderdeel a, zoals die artikelen zijn gewijzigd bij deze wet, zijn niet van toepassing in gevallen van het einde van een huwelijk of een aanmelding vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
6. De
artikelen 22, vijfde lid,
67, vijfde lid,
145, vijfde lid,
23, derde lid,
68, derde lid, en
146, derde lid, zoals die zijn komen te luiden door de wijziging bij deze wet, zijn niet van toepassing ten aanzien van een huwelijk of aanmelding vóór de inwerkingtreding van deze wet.
7. De
artikelen 22a,
22b,
67a,
67b,
145aen
145bzoals die luidden vóór de wijziging van die artikelen bij deze wet blijven van toepassing op een toeslag op grond van die artikelen die is ingegaan voor die wijziging.
8. De
artikelen 23,
68en
146zoals die luidden vóór de wijziging van die artikelen bij deze wet, blijven van toepassing op een bijzonder nabestaandenpensioen dat is ingegaan vóór de inwerkingtreding van deze wet alsmede op een bijzonder nabestaandenpensioen dat daarna ingaat, indien het huwelijk of de aanmelding voordien is geëindigd. In afwijking van de vorige volzin wordt een bijzonder nabestandenpensioen als daar laatstbedoeld berekend naar de berekeningsgrondslag over het jaar voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, indien de pensioengeldige tijd van de overledene mede na dat tijdstip is gelegen.
9. De wijziging van de
artikelen 24,
69en
147is van toepassing op degene die op na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet wordt aangemerkt als ongehuwd samenwonend als bedoeld in die artikelen.
10. Een nabestaandenpensioen, een bijzonder nabestaandenpensioen en een wezenpensioen, ingegaan op of na 1 januari 1996, dat is verminderd op grond van
artikel 27,
72of
150, zoals die artikelen luidden vóór de wijziging bij deze wet, wordt te rekenen vanaf het tijdstip van ingang opnieuw berekend met toepassing van die artikelen zoals gewijzigd bij deze wet.
11. De
artikelen 27a,
73en
150azoals die artikelen luidden vóór de wijziging ervan bij deze wet, blijven van toepassing op een nabestaandenpensioen dat is ingegaan vóór de inwerkingtreding van deze wet.
12. Een toeslag op grond van
artikel III van de Wet van 11 december 1996 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (de maatstaf voor de duur van het recht op uitkering en enige andere onderwerpen) (Stb. 1997, 14)wordt gehandhaafd op de laatstelijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet vastgestelde hoogte.
De toeslag wordt vervangen door een toeslag volgens
artikel 22a,
67aof
145a van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, zoals die artikelen zijn gewijzigd bij deze wet, zodra de hoogte ervan minder zou zijn dan de hoogte van die toeslag.
13. Een toeslag op grond van
artikel III, derde lid, van de in het dertiende lid genoemde wet, zoals dat artikel is gewijzigd bij deze wet, wordt met ingang van 1 januari 1998 vervangen door een toeslag volgens
artikel 22b,
67bof
145b van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, zoals gewijzigd bij deze wet. In afwijking van de eerste volzin wordt de daar eerstbedoelde toeslag gehandhaafd indien de laatstelijk voor de inwerkingtreding van deze wet vastgestelde hoogte daarvan uitgaat boven de hoogte van een toeslag volgens
artikel 22b,
67bof
145bvan de evengenoemde wet.
14.
Artikel 7 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, zoals dat artikel luidde voor de wijziging ervan bij deze wet, blijft van toepassing op uitkeringen uit hoofde van ontslagen als bedoeld in
artikel 6 van die wet, verleend met ingang van een datum gelegen vóór 1 januari 2003.