BWBR0015145
Geldig vanaf 2003-06-05
Artikel 3
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar reinigingsagenten stadsdeel Amsterdam-Centrum 2003
1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot de opsporing van feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:
a. de Wet milieubeheer; de Wet verontreiniging oppervlaktewateren; de Wet bodembescherming;
b. de Algemene Plaatselijke Verordening van de in het tweede lid genoemde gemeente en andere (provinciale) verordeningen, voor zover betrokkene voor voornoemde verordeningen door het bevoegd bestuursorgaan daartoe is aangewezen;
c. de artikelen 179, 180, 181, 182, 184, 185, 285, 424, 425, en 435, onder ten vierde, van het Wetboek van Strafrecht;
d. andere strafbare feiten, indien en voor zover de buitengewoon opsporingsambtenaar daarmee in een concreet opsporingsonderzoek is belast, voor de duur van dat onderzoek;
e. de Wet op de economische delicten, voor zover het feiten betreft waarvoor in dit besluit en binnen de op grond van dit besluit uit te vaardigen akten opsporingsbevoegdheid is verleend.
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van de gemeente Amsterdam.
a. de Wet milieubeheer; de Wet verontreiniging oppervlaktewateren; de Wet bodembescherming;
b. de Algemene Plaatselijke Verordening van de in het tweede lid genoemde gemeente en andere (provinciale) verordeningen, voor zover betrokkene voor voornoemde verordeningen door het bevoegd bestuursorgaan daartoe is aangewezen;
c. de artikelen 179, 180, 181, 182, 184, 185, 285, 424, 425, en 435, onder ten vierde, van het Wetboek van Strafrecht;
d. andere strafbare feiten, indien en voor zover de buitengewoon opsporingsambtenaar daarmee in een concreet opsporingsonderzoek is belast, voor de duur van dat onderzoek;
e. de Wet op de economische delicten, voor zover het feiten betreft waarvoor in dit besluit en binnen de op grond van dit besluit uit te vaardigen akten opsporingsbevoegdheid is verleend.
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van de gemeente Amsterdam.