BWBR0015024
Geldig vanaf 2003-11-25
Artikel 5
Tijdelijke stimuleringsregeling intensivering opsporing en controle Abw
1. De subsidieaanvrager maakt bij de indiening van de aanvraag gebruik van het daarvoor door de Minister verstrekte formulier, dat is ingericht overeenkomstig het model van bijlage 1van deze regeling.
2. Bij de aanvraag met betrekking tot de uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie op onderscheidenlijk het gebied van de opsporing en de controle wordt overgelegd:
a. een opgave van de brutosalariskosten per kalenderjaar die voor subsidie in aanmerking worden gebracht, en
b. gegevens met betrekking tot de omvang van de gemeentelijke personele formatie op onderscheidenlijk het gebied van de opsporing of de controle, zoals die op 31 december 2002 formeel bestond.
3. Indien de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan ten behoeve van een opsporingssamenwerkingsverband, wordt bij de aanvraag tevens overgelegd de bescheiden, bedoeld in het vierde lid.
4. Bij de aanvraag met betrekking tot de totstandkoming of de uitbreiding van een opsporingssamenwerkingsverband wordt overgelegd:
a. een door de colleges van burgemeester en wethouders die betrokken zijn bij de intentieverklaring of de overeenkomst ondertekend document, waaruit blijkt dat het college van burgemeester en wethouders dat de subsidie aanvraagt, daartoe door hen is aangewezen, en
b. een afschrift van de intentieverklaring of de overeenkomst.
5. De Minister ontvangt de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, uiterlijk 1 juli 2006, en de aanvraag, bedoeld in het vierde lid, uiterlijk 1 augustus 2003.
6. Indien de aanvraag betrekking heeft op de totstandkoming of de uitbreiding van een opsporingssamenwerkingsverband ontvangt de minister uiterlijk zes maanden nadat de bescheiden, bedoeld in het vierde lid, zijn overgelegd van de subsidieaanvrager:
a. een plan van aanpak en een daarbij behorende begroting van de kosten opsporingssamenwerkingsverband die voor subsidie in aanmerking worden gebracht,
b. b een beschrijving van de werkwijze van het opsporingssamenwerkingsverband, en
c. indien niet eerder overgelegd, een afschrift van de overeenkomst.
2. Bij de aanvraag met betrekking tot de uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie op onderscheidenlijk het gebied van de opsporing en de controle wordt overgelegd:
a. een opgave van de brutosalariskosten per kalenderjaar die voor subsidie in aanmerking worden gebracht, en
b. gegevens met betrekking tot de omvang van de gemeentelijke personele formatie op onderscheidenlijk het gebied van de opsporing of de controle, zoals die op 31 december 2002 formeel bestond.
3. Indien de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan ten behoeve van een opsporingssamenwerkingsverband, wordt bij de aanvraag tevens overgelegd de bescheiden, bedoeld in het vierde lid.
4. Bij de aanvraag met betrekking tot de totstandkoming of de uitbreiding van een opsporingssamenwerkingsverband wordt overgelegd:
a. een door de colleges van burgemeester en wethouders die betrokken zijn bij de intentieverklaring of de overeenkomst ondertekend document, waaruit blijkt dat het college van burgemeester en wethouders dat de subsidie aanvraagt, daartoe door hen is aangewezen, en
b. een afschrift van de intentieverklaring of de overeenkomst.
5. De Minister ontvangt de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, uiterlijk 1 juli 2006, en de aanvraag, bedoeld in het vierde lid, uiterlijk 1 augustus 2003.
6. Indien de aanvraag betrekking heeft op de totstandkoming of de uitbreiding van een opsporingssamenwerkingsverband ontvangt de minister uiterlijk zes maanden nadat de bescheiden, bedoeld in het vierde lid, zijn overgelegd van de subsidieaanvrager:
a. een plan van aanpak en een daarbij behorende begroting van de kosten opsporingssamenwerkingsverband die voor subsidie in aanmerking worden gebracht,
b. b een beschrijving van de werkwijze van het opsporingssamenwerkingsverband, en
c. indien niet eerder overgelegd, een afschrift van de overeenkomst.