BWBR0014998
Geldig vanaf 2005-12-06
Artikel 3
Uitvoeringsregeling Rijksoctrooiwet 1995
1. De aanvrage om octrooi vermeldt naast hetgeen in artikel 24, eerste lid, onder a en b, van de wet is voorgeschreven:
a. indien een gemachtigde is gesteld: diens naam, woonplaats en adres;
b. indien het een afzonderlijke aanvrage als bedoeld in artikel 28 van de wet betreft: de datum van indiening en het volgnummer van de oorspronkelijke aanvrage.
2. De korte aanduiding, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder d, van de wet, mag geen fantasienaam bevatten. Indien de bij de aanvrage behorende beschrijving aan het slot conclusies van verschillende categorieën bevat, blijkt dit duidelijk uit de korte aanduiding.
3. De aanvrage bevat een opsomming van de bijlagen met vermelding van de aard van ieder stuk.
4. Indien de aanvrage door meer dan één persoon is ingediend, wordt een voor de aanvragers gemeenschappelijk domicilie vermeld. Indien geen gemachtigde is gesteld, wordt tevens aangegeven door welke aanvrager zij gemeenschappelijk vertegenwoordigd worden.
a. indien een gemachtigde is gesteld: diens naam, woonplaats en adres;
b. indien het een afzonderlijke aanvrage als bedoeld in artikel 28 van de wet betreft: de datum van indiening en het volgnummer van de oorspronkelijke aanvrage.
2. De korte aanduiding, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder d, van de wet, mag geen fantasienaam bevatten. Indien de bij de aanvrage behorende beschrijving aan het slot conclusies van verschillende categorieën bevat, blijkt dit duidelijk uit de korte aanduiding.
3. De aanvrage bevat een opsomming van de bijlagen met vermelding van de aard van ieder stuk.
4. Indien de aanvrage door meer dan één persoon is ingediend, wordt een voor de aanvragers gemeenschappelijk domicilie vermeld. Indien geen gemachtigde is gesteld, wordt tevens aangegeven door welke aanvrager zij gemeenschappelijk vertegenwoordigd worden.