BWBR0014990
Geldig vanaf 2003-05-16
Artikel 4
Tijdelijke vrijstellingsregeling enten AI-gevoelige vogels dierentuinen 2003
1. De houder van vogels die voornemens is tot vaccinatie van gevoelige vogels over te gaan, geeft van dit voornemen kennis aan de Voedsel en Waren Autoriteit door het overleggen van vaccinatieplan.
2. Tot vaccinatie wordt niet over gegaan dan nadat de Voedsel en Waren Autoriteit het vaccinatieplan, bedoeld in het eerste lid, heeft goedgekeurd.
3. Tot vaccinatie wordt niet overgegaan dan nadat de Voedsel en Waren Autoriteit daartoe op verzoek van de houder van de vogels, bedoeld in het eerste lid, toestemming heeft verleend.
4. Vaccinatie vindt niet plaats dan onder toezicht van een ambtenaar van de Voedsel en Waren Autoriteit.
5. Het vaccinatieplan, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste:
a. een plattegrond van de dierentuin met daarop aangeduid de kooien, verblijven of plaatsen waar de gevoelige vogels die worden geënt zich bevinden;
b. een lijst van alle afzonderlijk te enten gevoelige vogels met vermelding van de soort en van de individuele identificatiegegevens;
c. het voorgenomen tijdstip en de vermoedelijke tijdsduur van de vaccinatie en de locatie waar de vaccinatie plaatsvindt;
d. de naam van de aan de dierentuin verbonden dierenarts die voor de vaccinatie en bloedbemonstering zorg draagt;
e. de benodigde hoeveelheid vaccin.
6. De houder van de vogels draagt er zorg voor dat:
a. van ten minste 10% van de te enten vogels bloedmonsters worden genomen zowel voor de eerste enting als ten minste 30 dagen na de laatste enting;
b. deze monsters serologisch worden onderzocht op AI;
c. de gegevens met betrekking tot de monstername en de uitkomsten van de onderzoeken 10 jaar worden bewaard.
7. De houder van de vogels zendt onverwijld na afloop van de vaccinatie een verslag aan de Voedsel en Waren Autoriteit welk verslag in ieder geval bevat:
a. gegevens over het aantal vogels dat is gevaccineerd en de identificatiekenmerken van die vogels;
b. de identificatienummers van de vogels waarvan bloedmonsters zijn genomen.
8. De houder van de vogels zendt onverwijld aan de Voedsel en Waren Autoriteit de uitslagen van de bloedmonsters, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a.
2. Tot vaccinatie wordt niet over gegaan dan nadat de Voedsel en Waren Autoriteit het vaccinatieplan, bedoeld in het eerste lid, heeft goedgekeurd.
3. Tot vaccinatie wordt niet overgegaan dan nadat de Voedsel en Waren Autoriteit daartoe op verzoek van de houder van de vogels, bedoeld in het eerste lid, toestemming heeft verleend.
4. Vaccinatie vindt niet plaats dan onder toezicht van een ambtenaar van de Voedsel en Waren Autoriteit.
5. Het vaccinatieplan, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste:
a. een plattegrond van de dierentuin met daarop aangeduid de kooien, verblijven of plaatsen waar de gevoelige vogels die worden geënt zich bevinden;
b. een lijst van alle afzonderlijk te enten gevoelige vogels met vermelding van de soort en van de individuele identificatiegegevens;
c. het voorgenomen tijdstip en de vermoedelijke tijdsduur van de vaccinatie en de locatie waar de vaccinatie plaatsvindt;
d. de naam van de aan de dierentuin verbonden dierenarts die voor de vaccinatie en bloedbemonstering zorg draagt;
e. de benodigde hoeveelheid vaccin.
6. De houder van de vogels draagt er zorg voor dat:
a. van ten minste 10% van de te enten vogels bloedmonsters worden genomen zowel voor de eerste enting als ten minste 30 dagen na de laatste enting;
b. deze monsters serologisch worden onderzocht op AI;
c. de gegevens met betrekking tot de monstername en de uitkomsten van de onderzoeken 10 jaar worden bewaard.
7. De houder van de vogels zendt onverwijld na afloop van de vaccinatie een verslag aan de Voedsel en Waren Autoriteit welk verslag in ieder geval bevat:
a. gegevens over het aantal vogels dat is gevaccineerd en de identificatiekenmerken van die vogels;
b. de identificatienummers van de vogels waarvan bloedmonsters zijn genomen.
8. De houder van de vogels zendt onverwijld aan de Voedsel en Waren Autoriteit de uitslagen van de bloedmonsters, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a.