1. Indien degene die meent dat te zijnen nadeel een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in deze wet, in rechte feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, dient de wederpartij te bewijzen dat niet in strijd met deze wet is gehandeld.
2. Indien degene die meent dat te zijnen nadeel is gehandeld in strijd met artikel 2in rechte feiten aanvoert die kunnen doen vermoeden dat is nagelaten doeltreffende aanpassingen te treffen, dient de wederpartij te bewijzen dat niet in strijd met deze bepaling is gehandeld.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op vorderingen als bedoeld in
artikel 305a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboeken op beroepen ingesteld door belanghebbenden in de zin van
artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.