BWBR0014873
Geldig vanaf 2003-04-01
Artikel 10
Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directoraat-generaal Arbeidsmarktbeleid en Bijstand 2003
1. Elk van de directeuren is bevoegd om namens een bewindspersoon besluiten te nemen, overeenkomsten aan te gaan en handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn, voor zover zij verband houden met de taken en verantwoordelijkheden van zijn directie, tenzij deze zijn voorbehouden aan een bewindspersoon, de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal of de directeur-generaal.
2. Aan elke directeur wordt mandaat en machtiging verleend tot het nemen van besluiten over en het vaststellen en ondertekenen van stukken die betrekking hebben op:
a. de in artikel 3, eerste lid, onder e, genoemde personeelsaangelegenheden;
b. de behandeling van klachten als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover deze klachten betrekking hebben op gedragingen van de onder elk van hen ressorterende functionarissen.
3. De in het eerste lid genoemde bevoegdheid omvat de bevoegdheid tot het verlenen en vaststellen van subsidies en het verlenen en vaststellen van rijksvergoedingen, het aangaan van verbetertrajecten en het korten op bevoorschotting, voor zover het de uitvoering betreft van regelingen op zijn werkterrein. Over de verlening van subsidies groter dan € 125.000,- die niet in een vastgesteld jaarplan zijn opgenomen, wordt de directeur-generaal vooraf geïnformeerd.
4. De in het eerste lid genoemde bevoegdheid om overeenkomsten aan te gaan is beperkt tot overeenkomsten met een waarde van ten hoogste € 20.000,- per overeenkomst, met dien verstande dat de volgende overeenkomsten mogen worden aangegaan tot een waarde van € 500.000,- per overeenkomst:
a. overeenkomsten welke gebaseerd zijn op een mantelovereenkomst;
b. overeenkomsten voor het opleiden van medewerkers van de directie;
c. overeenkomsten voor het inhuren van personeel voor de uitvoering van werkzaamheden die onder de directe verantwoordelijkheid van het departementale management worden verricht;
d. arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht;
e. overeenkomsten met betrekking tot raden en commissies;
f. overeenkomsten met betrekking tot onderzoek, na voorafgaande inhoudelijke afstemming binnen het directoraat-generaal;
g. overeenkomsten met betrekking tot incidentele beleidsinformatie, met uitzondering van overeenkomsten met het Centraal bureau voor de statistiek.
2. Aan elke directeur wordt mandaat en machtiging verleend tot het nemen van besluiten over en het vaststellen en ondertekenen van stukken die betrekking hebben op:
a. de in artikel 3, eerste lid, onder e, genoemde personeelsaangelegenheden;
b. de behandeling van klachten als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover deze klachten betrekking hebben op gedragingen van de onder elk van hen ressorterende functionarissen.
3. De in het eerste lid genoemde bevoegdheid omvat de bevoegdheid tot het verlenen en vaststellen van subsidies en het verlenen en vaststellen van rijksvergoedingen, het aangaan van verbetertrajecten en het korten op bevoorschotting, voor zover het de uitvoering betreft van regelingen op zijn werkterrein. Over de verlening van subsidies groter dan € 125.000,- die niet in een vastgesteld jaarplan zijn opgenomen, wordt de directeur-generaal vooraf geïnformeerd.
4. De in het eerste lid genoemde bevoegdheid om overeenkomsten aan te gaan is beperkt tot overeenkomsten met een waarde van ten hoogste € 20.000,- per overeenkomst, met dien verstande dat de volgende overeenkomsten mogen worden aangegaan tot een waarde van € 500.000,- per overeenkomst:
a. overeenkomsten welke gebaseerd zijn op een mantelovereenkomst;
b. overeenkomsten voor het opleiden van medewerkers van de directie;
c. overeenkomsten voor het inhuren van personeel voor de uitvoering van werkzaamheden die onder de directe verantwoordelijkheid van het departementale management worden verricht;
d. arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht;
e. overeenkomsten met betrekking tot raden en commissies;
f. overeenkomsten met betrekking tot onderzoek, na voorafgaande inhoudelijke afstemming binnen het directoraat-generaal;
g. overeenkomsten met betrekking tot incidentele beleidsinformatie, met uitzondering van overeenkomsten met het Centraal bureau voor de statistiek.