BWBR0014770
Geldig vanaf 2003-04-01
Artikel 9
Beleidsregels aanwijzing en erkenning Bouwstoffenbesluit
1. Een aanvraag tot aanwijzing kan geheel of gedeeltelijk worden afgewezen indien:
a. een verleende aanwijzing in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag is geschorst of ingetrokken;
b. ernstig gevaar bestaat dat de aanwijzing mede zal worden gebruikt voor het begaan van een overtreding van een wettelijk voorschrift die in relatie staat tot de samenhangende pakketten van verrichtingen of handelingen waarvoor de aanwijzing is aangevraagd;
c. een juridische, financiële of personele binding bestaat tussen de opdrachtnemer en de opdrachtgever, anders dan door opdrachten tot monstername, laboratoriumonderzoek of certificering;
d. de monsternemer, het laboratorium of de certificeringsinstelling in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag bij de werkzaamheden in het kader van het Bouwstoffenbesluit in strijd heeft gehandeld met de voor de desbetreffende bouwstof geldende beoordelingsrichtlijn;
e. de monsternemer, het laboratorium, of de certificeringinstelling in staat van faillissement verkeert;
f. het document waaruit de certificering of accreditatie blijkt is verlopen, geschorst of ingetrokken.
2. De mate van het gevaar, bedoeld in het eerst lid, onder b, wordt vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de aanvrager in relatie staat tot overtredingen van wettelijke voorschriften die zijn begaan bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de aanwijzing wordt aangevraagd;
b. de ernst van de overtredingen, ingeval sprake is van een vermoeden daarvan;
c. de aard van de relatie, en
d. de aard en het aantal van de begane overtredingen en de periode die is verstreken sinds de overtreding is begaan.
3. De aanvrager staat in relatie tot overtredingen als bedoeld in het eerste lid, onder b en het tweede lid, onder a, indien:
a. hij deze overtredingen zelf heeft begaan;
b. hij feitelijk leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een persoon die deze overtredingen heeft begaan, of
c. een ander deze overtredingen heeft gepleegd en deze persoon feitelijk leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan de aanvrager, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.
4. De afwijzing van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:
a. de mate van gevaar, en
b. de ernst van de overtreding van het wettelijk voorschrift, voor zover ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onder b bestaat.
5. Voor zover bij de aanwijzing van een monsternemer of laboratorium sprake is van uitbesteding van één handeling als bedoeld in artikel 2, tweede lidonderscheidenlijk één verrichting als bedoeld in artikel 3, tweede lidis het eerste lid tevens van toepassing op de instantie waaraan deze handeling onderscheidenlijk verrichting is uitbesteed.
a. een verleende aanwijzing in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag is geschorst of ingetrokken;
b. ernstig gevaar bestaat dat de aanwijzing mede zal worden gebruikt voor het begaan van een overtreding van een wettelijk voorschrift die in relatie staat tot de samenhangende pakketten van verrichtingen of handelingen waarvoor de aanwijzing is aangevraagd;
c. een juridische, financiële of personele binding bestaat tussen de opdrachtnemer en de opdrachtgever, anders dan door opdrachten tot monstername, laboratoriumonderzoek of certificering;
d. de monsternemer, het laboratorium of de certificeringsinstelling in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag bij de werkzaamheden in het kader van het Bouwstoffenbesluit in strijd heeft gehandeld met de voor de desbetreffende bouwstof geldende beoordelingsrichtlijn;
e. de monsternemer, het laboratorium, of de certificeringinstelling in staat van faillissement verkeert;
f. het document waaruit de certificering of accreditatie blijkt is verlopen, geschorst of ingetrokken.
2. De mate van het gevaar, bedoeld in het eerst lid, onder b, wordt vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de aanvrager in relatie staat tot overtredingen van wettelijke voorschriften die zijn begaan bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de aanwijzing wordt aangevraagd;
b. de ernst van de overtredingen, ingeval sprake is van een vermoeden daarvan;
c. de aard van de relatie, en
d. de aard en het aantal van de begane overtredingen en de periode die is verstreken sinds de overtreding is begaan.
3. De aanvrager staat in relatie tot overtredingen als bedoeld in het eerste lid, onder b en het tweede lid, onder a, indien:
a. hij deze overtredingen zelf heeft begaan;
b. hij feitelijk leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een persoon die deze overtredingen heeft begaan, of
c. een ander deze overtredingen heeft gepleegd en deze persoon feitelijk leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan de aanvrager, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.
4. De afwijzing van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:
a. de mate van gevaar, en
b. de ernst van de overtreding van het wettelijk voorschrift, voor zover ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onder b bestaat.
5. Voor zover bij de aanwijzing van een monsternemer of laboratorium sprake is van uitbesteding van één handeling als bedoeld in artikel 2, tweede lidonderscheidenlijk één verrichting als bedoeld in artikel 3, tweede lidis het eerste lid tevens van toepassing op de instantie waaraan deze handeling onderscheidenlijk verrichting is uitbesteed.