BWBR0014717
Geldig vanaf 2003-03-01
Artikel 8
Tijdelijke stimuleringsregeling regulier maken 10.000 ID-banen
1. Indien gedurende het tijdvak van twee jaren waarin de in artikel 2, eerste lid, bedoelde subsidie wordt verstrekt de reguliere dienstbetrekking wordt beëindigd, doet de werkgever hiervan zo spoedig mogelijk mededeling aan de minister door middel van het overleggen van een document waaruit blijkt dat de reguliere dienstbetrekking is beëindigd.
2. De subsidieverlening wordt in de situatie, bedoeld in het eerste lid, verlaagd in evenredigheid met het aantal dagen van het subsidieverleningstijdvak waarin de dienstbetrekking niet meer wordt vervuld, tenzij de werkgever binnen 12 weken na de beëindiging van de reguliere dienstbetrekking ter invulling van de vrijgevallen functie in overleg met de gemeente een nieuwe dienstbetrekking aangaat met:
a. een persoon aan wie een voorziening is aangeboden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand, dan wel
b. een werkloze werkzoekende.
3. De werkgever overlegt, indien hij ter invulling van de vrijgevallen functie een nieuwe dienstbetrekking aangaat, aan de minister:
a. een kopie van de voor de reguliere dienstbetrekking gesloten schriftelijke arbeidsovereenkomst of het op de reguliere dienstbetrekking betrekking hebbende aanstellingsbesluit, als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel a, welke overeenkomst of besluit voldoet aan de in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, genoemde criteria;
b. een verklaring van burgemeester en wethouders, door middel van een formulier dat is ingericht overeenkomstig het model van bijlage 4 bij deze regeling, waarin wordt bevestigd dat de werknemer voldoet aan de in het tweede lid gestelde criteria.
4. Wanneer de invulling van de vrijgevallen functie, bedoeld in het tweede lid, plaatsvindt in het eerste jaar van het subsidieverleningstijdvak worden de in het derde lid genoemde documenten door de minister uiterlijk tegelijkertijd met de rapportage, bedoeld in artikel 9, ontvangen. Wanneer de invulling van de vrijgevallen functie, bedoeld in het tweede lid, plaatsvindt in het tweede jaar van het subsidieverleningstijdvak worden de in het derde lid genoemde documenten door de minister uiterlijk tegelijkertijd met de aanvraag tot vaststelling van de subsidie, bedoeld in artikel 12, ontvangen.
2. De subsidieverlening wordt in de situatie, bedoeld in het eerste lid, verlaagd in evenredigheid met het aantal dagen van het subsidieverleningstijdvak waarin de dienstbetrekking niet meer wordt vervuld, tenzij de werkgever binnen 12 weken na de beëindiging van de reguliere dienstbetrekking ter invulling van de vrijgevallen functie in overleg met de gemeente een nieuwe dienstbetrekking aangaat met:
a. een persoon aan wie een voorziening is aangeboden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand, dan wel
b. een werkloze werkzoekende.
3. De werkgever overlegt, indien hij ter invulling van de vrijgevallen functie een nieuwe dienstbetrekking aangaat, aan de minister:
a. een kopie van de voor de reguliere dienstbetrekking gesloten schriftelijke arbeidsovereenkomst of het op de reguliere dienstbetrekking betrekking hebbende aanstellingsbesluit, als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel a, welke overeenkomst of besluit voldoet aan de in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, genoemde criteria;
b. een verklaring van burgemeester en wethouders, door middel van een formulier dat is ingericht overeenkomstig het model van bijlage 4 bij deze regeling, waarin wordt bevestigd dat de werknemer voldoet aan de in het tweede lid gestelde criteria.
4. Wanneer de invulling van de vrijgevallen functie, bedoeld in het tweede lid, plaatsvindt in het eerste jaar van het subsidieverleningstijdvak worden de in het derde lid genoemde documenten door de minister uiterlijk tegelijkertijd met de rapportage, bedoeld in artikel 9, ontvangen. Wanneer de invulling van de vrijgevallen functie, bedoeld in het tweede lid, plaatsvindt in het tweede jaar van het subsidieverleningstijdvak worden de in het derde lid genoemde documenten door de minister uiterlijk tegelijkertijd met de aanvraag tot vaststelling van de subsidie, bedoeld in artikel 12, ontvangen.