BWBR0014713
Geldig vanaf 2003-02-19
Artikel 2
Regeling IKAP medewerkers EZ
1. Een medewerker kan eenmaal per jaar in de periode van 1 januari tot en met 30 september een aanvraag indienen bij het hoofd van dienst.
2. Een aanvraag bevat in ieder geval een keuze uit een bron en een doel.
3. De bronnen bedoeld in artikel 21h, eerste lid, onderdelen a en b, van het ARARworden niet gecombineerd met het doel, bedoeld in artikel 21d, eerste lid, van het ARAR.
4. De medewerker die kiest voor meer werken als bedoeld in artikel 21c, eerste lid, van het ARAR, dan wel voor minder werken als bedoeld in artikel 21d, eerste lid, van het ARAR, geeft in zijn aanvraag het aantal uren aan dat en de wijze waarop hij deze wenst te realiseren.
5. De aanspraken bedoeld in artikel 21h, eerste lid, onderdelen c en h, van het ARARworden volledig ingezet.
6. De waarden van een gekozen bron en doel bedraagt minimaal € 50,00.
7. De waarden van de gekozen bronnen en doelen komen zoveel mogelijk overeen. Een aanvraag wordt afgewezen indien het verschil tussen de waarde van de bronnen en de doelen meer dan 5% bedraagt.
8. Voor de bestedingsmogelijkheid bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Regeling bestedingsmogelijkheden kunnen, in afwijking van het vorige lid, aanspraken op bronnen die in de twee kalenderjaren volgende op het jaar van de aanvraag zullen ontstaan worden ingezet.
9. In afwijking van het eerste lid kan de medewerker, aan wie een toeslag op grond van artikel 22aof artikel 22c van het BBRA1984 of een vergoeding op grond van artikel 23 van het BBRA1984 is toegekend, binnen twee weken na ontvangst van het besluit een extra aanvraag indienen om deze aanspraken in te zetten voor een nieuw doel.
2. Een aanvraag bevat in ieder geval een keuze uit een bron en een doel.
3. De bronnen bedoeld in artikel 21h, eerste lid, onderdelen a en b, van het ARARworden niet gecombineerd met het doel, bedoeld in artikel 21d, eerste lid, van het ARAR.
4. De medewerker die kiest voor meer werken als bedoeld in artikel 21c, eerste lid, van het ARAR, dan wel voor minder werken als bedoeld in artikel 21d, eerste lid, van het ARAR, geeft in zijn aanvraag het aantal uren aan dat en de wijze waarop hij deze wenst te realiseren.
5. De aanspraken bedoeld in artikel 21h, eerste lid, onderdelen c en h, van het ARARworden volledig ingezet.
6. De waarden van een gekozen bron en doel bedraagt minimaal € 50,00.
7. De waarden van de gekozen bronnen en doelen komen zoveel mogelijk overeen. Een aanvraag wordt afgewezen indien het verschil tussen de waarde van de bronnen en de doelen meer dan 5% bedraagt.
8. Voor de bestedingsmogelijkheid bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Regeling bestedingsmogelijkheden kunnen, in afwijking van het vorige lid, aanspraken op bronnen die in de twee kalenderjaren volgende op het jaar van de aanvraag zullen ontstaan worden ingezet.
9. In afwijking van het eerste lid kan de medewerker, aan wie een toeslag op grond van artikel 22aof artikel 22c van het BBRA1984 of een vergoeding op grond van artikel 23 van het BBRA1984 is toegekend, binnen twee weken na ontvangst van het besluit een extra aanvraag indienen om deze aanspraken in te zetten voor een nieuw doel.