BWBR0014644
Geldig vanaf 2003-02-05
Artikel D
Uitvoeringsregeling BSE-2003 programma energiebesparing door innovatie
1. Rangschikking vindt plaats op grond van de volgende criteria:
a. de potentiële energiebesparing van het project in relatie tot de gevraagde subsidie;
b. de innovativiteit van het project.
2. Voor de rangschikking kan voor criterium b de helft van het aantal punten worden behaald als voor criterium a.
Ad 1a. De potentiële energiebesparing wordt beoordeeld in relatie tot de gevraagde subsidie. Hiermee wordt een zo effectief mogelijke inzet van de subsidie gerealiseerd. Aspecten die meespelen bij de beoordeling van de potentiële energiebesparing zijn met name:
1. de omvang van de besparing bij de toepassing van het eerste resultaat van dit project;
2. het herhalingspotentieel van het project en de kans dat dit wordt benut;
3. de mate van kennisoverdracht en betrokkenheid van relevante partijen;
4. de economische terugverdientijd van een toekomstige investering bij herhaling van het project (demonstratie- of marktintroductieprojecten), of
in het resultaat van een project (onderzoeks- of ontwikkelingsproject of praktijkexperiment);
bij herhaling van het project (demonstratie- of marktintroductieprojecten), of
in het resultaat van een project (onderzoeks- of ontwikkelingsproject of praktijkexperiment);
5. de mogelijke spin-off effecten van het project.
Bij de berekening van de energiebesparing worden de volgende equivalenten toegepast:
1 kWh elektrische energie komt overeen met 0,28 m3 aardgas;
1 liter huisbrandolie komt overeen met 1,2 m3 aardgas;
1 ton stookolie komt overeen met 1300 m3 aardgas;
1 ton steenkool komt overeen met 925 m3 aardgas;
1 liter vloeibaar propaan komt overeen met 0,73 m3 aardgas.
Ad 1b. Bepalend is in hoeverre de projecten innovatief zijn ten opzichte van de huidige stand der techniek binnen de branche.
a. de potentiële energiebesparing van het project in relatie tot de gevraagde subsidie;
b. de innovativiteit van het project.
2. Voor de rangschikking kan voor criterium b de helft van het aantal punten worden behaald als voor criterium a.
Ad 1a. De potentiële energiebesparing wordt beoordeeld in relatie tot de gevraagde subsidie. Hiermee wordt een zo effectief mogelijke inzet van de subsidie gerealiseerd. Aspecten die meespelen bij de beoordeling van de potentiële energiebesparing zijn met name:
1. de omvang van de besparing bij de toepassing van het eerste resultaat van dit project;
2. het herhalingspotentieel van het project en de kans dat dit wordt benut;
3. de mate van kennisoverdracht en betrokkenheid van relevante partijen;
4. de economische terugverdientijd van een toekomstige investering bij herhaling van het project (demonstratie- of marktintroductieprojecten), of
in het resultaat van een project (onderzoeks- of ontwikkelingsproject of praktijkexperiment);
bij herhaling van het project (demonstratie- of marktintroductieprojecten), of
in het resultaat van een project (onderzoeks- of ontwikkelingsproject of praktijkexperiment);
5. de mogelijke spin-off effecten van het project.
Bij de berekening van de energiebesparing worden de volgende equivalenten toegepast:
1 kWh elektrische energie komt overeen met 0,28 m3 aardgas;
1 liter huisbrandolie komt overeen met 1,2 m3 aardgas;
1 ton stookolie komt overeen met 1300 m3 aardgas;
1 ton steenkool komt overeen met 925 m3 aardgas;
1 liter vloeibaar propaan komt overeen met 0,73 m3 aardgas.
Ad 1b. Bepalend is in hoeverre de projecten innovatief zijn ten opzichte van de huidige stand der techniek binnen de branche.