BWBR0014611
Geldig vanaf 2003-02-01
Artikel 9
Saneringsregeling asbestwegen tweede fase
1. Een eigenaar van een weg kan een aanvraag als bedoeld in artikel 3slechts indienen voor één van de in artikel 3, onder a en b, genoemde handelingen, met dien verstande dat een aanvraag voor een handeling als bedoeld in artikel 3, onder b, zowel betrekking kan hebben op het uit een asbestbevattende weg doen verwijderen van asbest als op het op die weg vervolgens zand of menggranulaat doen aanbrengen.
2. Indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt afgewezen omdat de aanvraag betrekking heeft op een weg als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder c, stelt de minister in afwijking van het eerste lid de betrokken eigenaar in de gelegenheid binnen vier weken een aanvraag voor één van de andere in artikel 3, onder a en b, genoemde handelingen in te dienen.
3. Indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt afgewezen omdat het doen verrichten van de handeling waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd zou zijn met het omgevingsplan of voor het doen verrichten van die handeling een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswetniet wordt verleend, stelt de minister in afwijking van het eerste lid de betrokken eigenaar in de gelegenheid binnen vier weken een aanvraag voor één van de andere in artikel 3, onder a en b, genoemde handelingen in te dienen.
4. De termijn, bedoeld in het tweede en derde lid, vangt aan met ingang van de dag na die waarop de desbetreffende beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
2. Indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt afgewezen omdat de aanvraag betrekking heeft op een weg als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder c, stelt de minister in afwijking van het eerste lid de betrokken eigenaar in de gelegenheid binnen vier weken een aanvraag voor één van de andere in artikel 3, onder a en b, genoemde handelingen in te dienen.
3. Indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt afgewezen omdat het doen verrichten van de handeling waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd zou zijn met het omgevingsplan of voor het doen verrichten van die handeling een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswetniet wordt verleend, stelt de minister in afwijking van het eerste lid de betrokken eigenaar in de gelegenheid binnen vier weken een aanvraag voor één van de andere in artikel 3, onder a en b, genoemde handelingen in te dienen.
4. De termijn, bedoeld in het tweede en derde lid, vangt aan met ingang van de dag na die waarop de desbetreffende beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.