BWBR0014540
Geldig vanaf 2003-01-01
Artikel 8
Regeling Halt
1. Voor uiterlijk 1 oktober in het jaar voorafgaande aan het subsidiejaar dient een Halt-bureau aan de Minister te doen toekomen:
a. de begroting voor het subsidiejaar voor Halt-afdoeningen en Stop-reacties;
b. een raming van het aantal te realiseren afdoeningen in het subsidiejaar, gespecificeerd in de zes typen afdoeningen;
c. een raming van het aantal te realiseren Stop-reacties in het subsidiejaar.
2. De begroting behelst een overzicht van de voor het boekjaar geraamde inkomsten en uitgaven, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd. De begrotingsposten dienen ieder afzonderlijk van een toelichting te worden voorzien.
3. De raming van het aantal Halt-afdoeningen dient gebaseerd te zijn op het gemiddeld aantal gerealiseerde afdoeningen in de afgelopen drie jaar, vermeerderd met maximaal 3%. Afwijkingen dienen te worden gemotiveerd. De verdeling van het totaal naar de zes typen Halt-afdoeningen zullen als maatstaf gelden bij de beoordeling van de ingediende begroting.
4. De raming van het aantal Stop-reacties dient gebaseerd te zijn op de gegevens vanaf het jaar (2000) dat Stop landelijk is ingevoerd.
5. Er is er een maximum gesteld voor de categorieën met eigen begeleiding. Daarbij geldt dat de som van de categorieën b, d en f niet meer mag bedragen dan 15% van het totaal aantal afdoeningen. Middels een evaluatieonderzoek wordt nagegaan wat de effecten zijn van eigen begeleiding. Dit kan leiden tot een bijstelling van dit percentage.
a. de begroting voor het subsidiejaar voor Halt-afdoeningen en Stop-reacties;
b. een raming van het aantal te realiseren afdoeningen in het subsidiejaar, gespecificeerd in de zes typen afdoeningen;
c. een raming van het aantal te realiseren Stop-reacties in het subsidiejaar.
2. De begroting behelst een overzicht van de voor het boekjaar geraamde inkomsten en uitgaven, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd. De begrotingsposten dienen ieder afzonderlijk van een toelichting te worden voorzien.
3. De raming van het aantal Halt-afdoeningen dient gebaseerd te zijn op het gemiddeld aantal gerealiseerde afdoeningen in de afgelopen drie jaar, vermeerderd met maximaal 3%. Afwijkingen dienen te worden gemotiveerd. De verdeling van het totaal naar de zes typen Halt-afdoeningen zullen als maatstaf gelden bij de beoordeling van de ingediende begroting.
4. De raming van het aantal Stop-reacties dient gebaseerd te zijn op de gegevens vanaf het jaar (2000) dat Stop landelijk is ingevoerd.
5. Er is er een maximum gesteld voor de categorieën met eigen begeleiding. Daarbij geldt dat de som van de categorieën b, d en f niet meer mag bedragen dan 15% van het totaal aantal afdoeningen. Middels een evaluatieonderzoek wordt nagegaan wat de effecten zijn van eigen begeleiding. Dit kan leiden tot een bijstelling van dit percentage.