BWBR0014525
Geldig vanaf 2003-01-01
Artikel 6
Subsidieregeling SWOV 2003
1. De minister beoordeelt het jaarprogramma, mede aan de hand van de in artikel 5, tweede lid, genoemde gegevens.
2. Naast de gronden, genoemd in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, kan de minister de subsidieverlening weigeren indien de beoordeling van het jaarprogramma leidt tot de bevinding dat het jaarprogramma: a. niet in overeenstemming is met de vereisten van deze regeling, of b. niet in voldoende mate aansluit bij het Nederlandse verkeersveiligheidsbeleid.
3. De subsidieverlening geschiedt onder de voorwaarde dat er op de begroting van de uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (XII) voor het desbetreffende jaar voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.
4. Indien de SWOV een melding als bedoeld in artikel 9, tweede lid, maakt, wijzigt de minister binnen acht weken ambtshalve de beschikking tot subsidieverlening. Indien de wijzigingsbeschikking niet binnen deze termijn kan worden gegeven, stelt de minister de SWOV daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
2. Naast de gronden, genoemd in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, kan de minister de subsidieverlening weigeren indien de beoordeling van het jaarprogramma leidt tot de bevinding dat het jaarprogramma: a. niet in overeenstemming is met de vereisten van deze regeling, of b. niet in voldoende mate aansluit bij het Nederlandse verkeersveiligheidsbeleid.
3. De subsidieverlening geschiedt onder de voorwaarde dat er op de begroting van de uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (XII) voor het desbetreffende jaar voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.
4. Indien de SWOV een melding als bedoeld in artikel 9, tweede lid, maakt, wijzigt de minister binnen acht weken ambtshalve de beschikking tot subsidieverlening. Indien de wijzigingsbeschikking niet binnen deze termijn kan worden gegeven, stelt de minister de SWOV daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.