BWBR0014343
Geldig vanaf 2003-01-22
Artikel 2
Mandaatregeling Ministerie van Justitie 2002
1. Aan de secretaris-generaal wordt mandaat verleend ten aanzien van de tot het ministerie behorende aangelegenheden die naar aard of inhoud niet een zodanig gewicht hebben dat zij door de bewindspersoon behoren te worden afgedaan.
2. Aan de bewindspersoon blijft voorbehouden de bevoegdheid tot het nemen van besluiten die zijn neergelegd in een document, gericht tot:
a. de Koningin;
b. de raad van ministers van het Koninkrijk, de ministerraad of een daaruit gevormde onderraad of commissie;
c. de voorzitter van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of van een uit die Kamer gevormde commissie;
d. de vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk of de vice-president van de Raad van State;
e. de president van de Algemene Rekenkamer;
f. de Nationale ombudsman, indien de strekking daarvan is dat aan een aanbeveling van de Nationale ombudsman geen gevolg wordt gegeven.
2. Aan de bewindspersoon blijft voorbehouden de bevoegdheid tot het nemen van besluiten die zijn neergelegd in een document, gericht tot:
a. de Koningin;
b. de raad van ministers van het Koninkrijk, de ministerraad of een daaruit gevormde onderraad of commissie;
c. de voorzitter van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of van een uit die Kamer gevormde commissie;
d. de vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk of de vice-president van de Raad van State;
e. de president van de Algemene Rekenkamer;
f. de Nationale ombudsman, indien de strekking daarvan is dat aan een aanbeveling van de Nationale ombudsman geen gevolg wordt gegeven.