BWBR0014082
Geldig vanaf 2002-10-04
Artikel 3
Aanwijzing buitengewoon opsporingsambtenaren Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit
1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:
a. de artikelen 225, 227a, 227b, 310, 321, 326, 326a, 327, 328, 337, 416, 417, 417bis, 447c, 447d van het Wetboek van Strafrecht;
b. de Wegenverkeerswet 1994;
c. andere wetten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie worden belast, voor de duur van dat onderzoek.
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van Nederland.
a. de artikelen 225, 227a, 227b, 310, 321, 326, 326a, 327, 328, 337, 416, 417, 417bis, 447c, 447d van het Wetboek van Strafrecht;
b. de Wegenverkeerswet 1994;
c. andere wetten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie worden belast, voor de duur van dat onderzoek.
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van Nederland.