BWBR0013949
Geldig vanaf 2002-08-22
Artikel 1
Instellingsbesluit toetsingscommissie buitengewoon opsporingsambtenaar Belastingdienst 2002
1. Er is een toetsingscommissie voor de opleiding van ambtenaren van de Belastingdienst tot buitengewoon opsporingsambtenaar, zoals bedoeld in artikel 142 van het Wetboek van strafvordering.
2. Onder toetsingscommissie wordt in deze regeling tevens verstaan de examencommissie, zoals bedoeld in het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Belastingdienst/FIOD-ECD 2001.
3. De toetsingscommissie heeft tot taak:
a. Er op toe te zien dat aan de in het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Belastingdienst/FIOD-ECD 2001, het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Belastingdienst/Douane 1995 en het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Belastingdienst 1995 gestelde voorwaarden voor de ontheffing van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van het besluit buitengewoon opsporingsambtenaar wordt voldaan;
b. het toetsen van de in artikel 9 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Belastingdienst/FIOD-ECD 2001, artikel 6 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Belastingdienst/Douane 1995 en artikel 4 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Belastingdienst 1995 bedoelde opleidingen en bijscholingen aan de door de Minister van Justitie ter zake geformuleerde eindtermen;
c. het beoordelen van de wijze van toetsing van de kandidaten, de normstelling voor de toetsing en de uitslagen van de toetsing;
d. het adviseren bij individuele verzoeken aan de procureur-generaal om ontheffing van het examen bedoeld in artikel 16, eerste lid, van het besluit buitengewoon opsporingsambtenaar;
e. het beoordelen van individuele verzoeken om ontheffing van (onderdelen van) de in onderdeel b bedoelde opleidingen en bijscholingen;
f. het adviseren van de directeur-generaal Belastingdienst over de in de vorige onderdelen genoemde taken.
4. De toetsingscommissie rapporteert jaarlijks aan de directeur-generaal Belastingdienst. De directeur-generaal Belastingdienst informeert de directie Opsporingsbeleid van het Ministerie van Justitie.
2. Onder toetsingscommissie wordt in deze regeling tevens verstaan de examencommissie, zoals bedoeld in het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Belastingdienst/FIOD-ECD 2001.
3. De toetsingscommissie heeft tot taak:
a. Er op toe te zien dat aan de in het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Belastingdienst/FIOD-ECD 2001, het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Belastingdienst/Douane 1995 en het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Belastingdienst 1995 gestelde voorwaarden voor de ontheffing van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van het besluit buitengewoon opsporingsambtenaar wordt voldaan;
b. het toetsen van de in artikel 9 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Belastingdienst/FIOD-ECD 2001, artikel 6 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Belastingdienst/Douane 1995 en artikel 4 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Belastingdienst 1995 bedoelde opleidingen en bijscholingen aan de door de Minister van Justitie ter zake geformuleerde eindtermen;
c. het beoordelen van de wijze van toetsing van de kandidaten, de normstelling voor de toetsing en de uitslagen van de toetsing;
d. het adviseren bij individuele verzoeken aan de procureur-generaal om ontheffing van het examen bedoeld in artikel 16, eerste lid, van het besluit buitengewoon opsporingsambtenaar;
e. het beoordelen van individuele verzoeken om ontheffing van (onderdelen van) de in onderdeel b bedoelde opleidingen en bijscholingen;
f. het adviseren van de directeur-generaal Belastingdienst over de in de vorige onderdelen genoemde taken.
4. De toetsingscommissie rapporteert jaarlijks aan de directeur-generaal Belastingdienst. De directeur-generaal Belastingdienst informeert de directie Opsporingsbeleid van het Ministerie van Justitie.