BWBR0013933
Geldig vanaf 2002-09-01
Artikel 6
Besluit opheffing Bedrijfschap Brood- en Banketbakkersbedrijf
1. De opheffing van het bedrijfschap tast de rechtskracht van de door dit lichaam wettig opgelegde heffingsaanslagen niet aan.
2. Bij de inning van nog niet betaalde heffingsaanslagen van het bedrijfschap oefent de voorzitter van het hoofdbedrijfschap zo nodig de in artikel 127 van de Wet op de bedrijfsorganisatietoegekende bevoegdheden uit.
3. Het hoofdbedrijfschap kan, voorzover dit voor de voldoening van schulden van het bedrijfschap noodzakelijk is, bij verordening aan de ondernemers in het betrokken deel van het bedrijfsleven een heffing opleggen volgens de bij de laatstelijk opgelegde algemene heffing van het bedrijfschap gehanteerde maatstaven.
4. Ten aanzien van een in het derde lid bedoelde heffingsverordening en de krachtens die verordening opgelegde aanslagen zijn de artikelen 126en 127 van de Wet op de bedrijfsorganisatievan overeenkomstige toepassing.
2. Bij de inning van nog niet betaalde heffingsaanslagen van het bedrijfschap oefent de voorzitter van het hoofdbedrijfschap zo nodig de in artikel 127 van de Wet op de bedrijfsorganisatietoegekende bevoegdheden uit.
3. Het hoofdbedrijfschap kan, voorzover dit voor de voldoening van schulden van het bedrijfschap noodzakelijk is, bij verordening aan de ondernemers in het betrokken deel van het bedrijfsleven een heffing opleggen volgens de bij de laatstelijk opgelegde algemene heffing van het bedrijfschap gehanteerde maatstaven.
4. Ten aanzien van een in het derde lid bedoelde heffingsverordening en de krachtens die verordening opgelegde aanslagen zijn de artikelen 126en 127 van de Wet op de bedrijfsorganisatievan overeenkomstige toepassing.