BWBR0013917
Geldig vanaf 2002-09-11
Artikel 3
Rechtspositiebesluit commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
1. Boven en behalve het salaris, bedoeld in artikel 2, genieten de leden een vakantie-uitkering, een eindejaarsuitkering, een tegemoetkoming in de ziektekosten, een vergoeding van reis- en verblijfkosten voor zowel reizen in het kader van woon–werkverkeer alsmede dienstreizen, een vergoeding van verplaatsingskosten en een gratificatie bij ambtsjubileum overeenkomstig de bepalingen die ten aanzien van burgerlijke rijksambtenaren gelden.
2. Ten behoeve van reizen in het kader van woon–werkverkeer kan gebruik worden gemaakt van het voor ambtenaren van het Ministerie van Algemene Zaken geldende vervoersplan.
3. Indien burgerlijke rijksambtenaren een eenmalige uitkering wordt toegekend, ontvangen de leden van de commissie van toezicht deze op gelijke voet.
4. De leden ontvangen een vaste bruto vergoeding voor de kosten van voorzieningen die voor eigen rekening komen en die door hen mede worden aangewend ten behoeve van de vervulling van hun ambt.
Deze bruto vergoeding bedraagt voor de voorzitter 50% en voor de leden 35% van het bedrag, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001950/artikel/68a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 68a, derde lid, onderdeel a, en negende lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement</a>en wordt naar evenredigheid maandelijks uitbetaald.
2. Ten behoeve van reizen in het kader van woon–werkverkeer kan gebruik worden gemaakt van het voor ambtenaren van het Ministerie van Algemene Zaken geldende vervoersplan.
3. Indien burgerlijke rijksambtenaren een eenmalige uitkering wordt toegekend, ontvangen de leden van de commissie van toezicht deze op gelijke voet.
4. De leden ontvangen een vaste bruto vergoeding voor de kosten van voorzieningen die voor eigen rekening komen en die door hen mede worden aangewend ten behoeve van de vervulling van hun ambt.
Deze bruto vergoeding bedraagt voor de voorzitter 50% en voor de leden 35% van het bedrag, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001950/artikel/68a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 68a, derde lid, onderdeel a, en negende lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement</a>en wordt naar evenredigheid maandelijks uitbetaald.