BWBR0013855
Geldig vanaf 2002-07-08
Artikel 3
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Voedsel en Waren Autoriteit 2002
1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:
a. de Warenwet;
de Landbouwkwaliteitswet;
de Vleeskeuringswet;
de Destructiewet;
de Wet op de dierproeven;
de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;
de Kernenergiewet;
de Drank- en Horecawet;
de Tabakswet;
de Absintwet 1909;
de artikelen 172 tot en met 175, 198, 329 en 330, van het Wetboek van Strafrecht;
de artikelen 13 en 19 van de Landbouwwet;
artikel 11, onderdeel a, sub 5, de artikelen 17, 19, 38, 44, 45, 55, 66, 96 tot en met 99, 100, 103, 107 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, voor zover sprake is van voorschriften die de volksgezondheid raken of van voorschriften die gelden in dierproefinstellingen waar de Voedsel en Waren Autoriteit taken verricht in het kader van de Wet op de dierproeven;
de artikelen 2, eerste lid, 7, 13, 14, eerste en tweede lid, 17, eerste lid, 18, 19, 20, tweede lid, 21, eerste lid, 24, tweede lid, 30, eerste lid, 32, 33, 35, 36, eerste lid, 37, eerste lid, 38 tot en met 42, 43, eerste lid, 44, eerste lid, 45, derde lid, 49 en 58, derde lid, van de Diergeneesmiddelenwet;
de artikelen 68, eerste lid, 69, eerste lid, en 71 van de Veewet;
de paragrafen 1 en 2 van Hoofdstuk 4, van de Wet milieugevaarlijke stoffen;
de voorschriften gebaseerd op artikel 93 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie;
artikel 34 van de Wegenverkeerswet 1994;
de Warenwet;
de Landbouwkwaliteitswet;
de Vleeskeuringswet;
de Destructiewet;
de Wet op de dierproeven;
de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;
de Kernenergiewet;
de Drank- en Horecawet;
de Tabakswet;
de Absintwet 1909;
de artikelen 172 tot en met 175, 198, 329 en 330, van het Wetboek van Strafrecht;
de artikelen 13 en 19 van de Landbouwwet;
artikel 11, onderdeel a, sub 5, de artikelen 17, 19, 38, 44, 45, 55, 66, 96 tot en met 99, 100, 103, 107 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, voor zover sprake is van voorschriften die de volksgezondheid raken of van voorschriften die gelden in dierproefinstellingen waar de Voedsel en Waren Autoriteit taken verricht in het kader van de Wet op de dierproeven;
de artikelen 2, eerste lid, 7, 13, 14, eerste en tweede lid, 17, eerste lid, 18, 19, 20, tweede lid, 21, eerste lid, 24, tweede lid, 30, eerste lid, 32, 33, 35, 36, eerste lid, 37, eerste lid, 38 tot en met 42, 43, eerste lid, 44, eerste lid, 45, derde lid, 49 en 58, derde lid, van de Diergeneesmiddelenwet;
de artikelen 68, eerste lid, 69, eerste lid, en 71 van de Veewet;
de paragrafen 1 en 2 van Hoofdstuk 4, van de Wet milieugevaarlijke stoffen;
de voorschriften gebaseerd op artikel 93 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie;
artikel 34 van de Wegenverkeerswet 1994;
b. andere wetten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie wordt belast, voor de duur van dat onderzoek.
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van Nederland.
a. de Warenwet;
de Landbouwkwaliteitswet;
de Vleeskeuringswet;
de Destructiewet;
de Wet op de dierproeven;
de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;
de Kernenergiewet;
de Drank- en Horecawet;
de Tabakswet;
de Absintwet 1909;
de artikelen 172 tot en met 175, 198, 329 en 330, van het Wetboek van Strafrecht;
de artikelen 13 en 19 van de Landbouwwet;
artikel 11, onderdeel a, sub 5, de artikelen 17, 19, 38, 44, 45, 55, 66, 96 tot en met 99, 100, 103, 107 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, voor zover sprake is van voorschriften die de volksgezondheid raken of van voorschriften die gelden in dierproefinstellingen waar de Voedsel en Waren Autoriteit taken verricht in het kader van de Wet op de dierproeven;
de artikelen 2, eerste lid, 7, 13, 14, eerste en tweede lid, 17, eerste lid, 18, 19, 20, tweede lid, 21, eerste lid, 24, tweede lid, 30, eerste lid, 32, 33, 35, 36, eerste lid, 37, eerste lid, 38 tot en met 42, 43, eerste lid, 44, eerste lid, 45, derde lid, 49 en 58, derde lid, van de Diergeneesmiddelenwet;
de artikelen 68, eerste lid, 69, eerste lid, en 71 van de Veewet;
de paragrafen 1 en 2 van Hoofdstuk 4, van de Wet milieugevaarlijke stoffen;
de voorschriften gebaseerd op artikel 93 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie;
artikel 34 van de Wegenverkeerswet 1994;
de Warenwet;
de Landbouwkwaliteitswet;
de Vleeskeuringswet;
de Destructiewet;
de Wet op de dierproeven;
de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;
de Kernenergiewet;
de Drank- en Horecawet;
de Tabakswet;
de Absintwet 1909;
de artikelen 172 tot en met 175, 198, 329 en 330, van het Wetboek van Strafrecht;
de artikelen 13 en 19 van de Landbouwwet;
artikel 11, onderdeel a, sub 5, de artikelen 17, 19, 38, 44, 45, 55, 66, 96 tot en met 99, 100, 103, 107 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, voor zover sprake is van voorschriften die de volksgezondheid raken of van voorschriften die gelden in dierproefinstellingen waar de Voedsel en Waren Autoriteit taken verricht in het kader van de Wet op de dierproeven;
de artikelen 2, eerste lid, 7, 13, 14, eerste en tweede lid, 17, eerste lid, 18, 19, 20, tweede lid, 21, eerste lid, 24, tweede lid, 30, eerste lid, 32, 33, 35, 36, eerste lid, 37, eerste lid, 38 tot en met 42, 43, eerste lid, 44, eerste lid, 45, derde lid, 49 en 58, derde lid, van de Diergeneesmiddelenwet;
de artikelen 68, eerste lid, 69, eerste lid, en 71 van de Veewet;
de paragrafen 1 en 2 van Hoofdstuk 4, van de Wet milieugevaarlijke stoffen;
de voorschriften gebaseerd op artikel 93 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie;
artikel 34 van de Wegenverkeerswet 1994;
b. andere wetten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie wordt belast, voor de duur van dat onderzoek.
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van Nederland.