1. Ten minste éénmaal per jaar zendt belanghebbende aan de Minister een bewijs van in leven zijn, afgegeven door een daartoe bevoegde instantie.
2. De belanghebbende doet van iedere wijziging van zijn adres, van zijn burgerlijke staat en van elke andere omstandigheid die van invloed is op het recht op pensioen, respectievelijk uitkering, of op de berekeningsgrondslag daarvan, terstond schriftelijk mededeling aan de Minister.
3. Onder een in het tweede lid bedoelde omstandigheid wordt mede verstaan de situatie dat een pensioen als bedoeld in
artikel 18 van de rijkswet, wordt toegekend of eindigt, dan wel wordt herzien.
4. De belanghebbende verleent kopie van het in het eerste lid bedoelde bewijs en van de in het tweede lid bedoelde mededeling aan de directeur van het Kabinet.