BWBR0013663
Geldig vanaf 2002-05-07
Artikel 2
Voorwaarden tijdelijke bevoegdheid oalt en taalondersteuning
1. Aan een persoon van wie een allochtone levende taal de moedertaal is, verleent de minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen op aanvrage voor twee jaren een tijdelijke bevoegdheid tot het geven van onderwijs in een allochtone levende taal (oalt) en taalondersteuning, indien:
betrokkene in het land van herkomst een lerarenopleiding heeft voltooid, of een opleiding die vergelijkbaar is met tenminste een Nederlandse hbo-opleiding, dan wel in Nederland een getuigschrift van hoger onderwijs (hbo of wo) heeft behaald, èn;
betrokkene de Nederlandse taal beheerst hetgeen blijkt uit het bezit van één van de diploma’s of bewijsstukken genoemd in artikel 3, èn
de inspectie primair onderwijs een positief advies heeft uitgebracht over de door betrokkene gegeven proeflessen oalt.
Indien betrokkene in het bezit is van een diploma dat geldt als een bewijs van bekwaamheid waaraan in zijn of haar land van herkomst de bevoegdheid is verbonden tot het geven van lager onderwijs, is de voorwaarde met betrekking tot de te geven proeflessen niet van toepassing.
2. De tijdelijke bevoegdheid tot het geven van oalt en taalondersteuning wordt verleend onder de voorwaarde dat betrokkene gedurende de twee jaar waarvoor de bevoegdheid geldt één van de verkorte hbo-opleidingen leraar oalt volgt.
3. Indien betrokkene niet direct tot één van de verkorte hbo-opleidingen leraar oalt is toegelaten als gevolg van plaatsgebrek, dan wel indien betrokkene de betreffende opleiding niet kan volgen omdat deze niet is gestart, kan op aanvrage de tijdelijke bevoegdheid tot het geven van oalt en taalondersteuning worden verlengd.
4. De periode van twee jaar waarvoor de tijdelijke bevoegdheid geldt, vangt aan zodra betrokkene als leraar oalt en/of taalondersteuning is aangesteld.
betrokkene in het land van herkomst een lerarenopleiding heeft voltooid, of een opleiding die vergelijkbaar is met tenminste een Nederlandse hbo-opleiding, dan wel in Nederland een getuigschrift van hoger onderwijs (hbo of wo) heeft behaald, èn;
betrokkene de Nederlandse taal beheerst hetgeen blijkt uit het bezit van één van de diploma’s of bewijsstukken genoemd in artikel 3, èn
de inspectie primair onderwijs een positief advies heeft uitgebracht over de door betrokkene gegeven proeflessen oalt.
Indien betrokkene in het bezit is van een diploma dat geldt als een bewijs van bekwaamheid waaraan in zijn of haar land van herkomst de bevoegdheid is verbonden tot het geven van lager onderwijs, is de voorwaarde met betrekking tot de te geven proeflessen niet van toepassing.
2. De tijdelijke bevoegdheid tot het geven van oalt en taalondersteuning wordt verleend onder de voorwaarde dat betrokkene gedurende de twee jaar waarvoor de bevoegdheid geldt één van de verkorte hbo-opleidingen leraar oalt volgt.
3. Indien betrokkene niet direct tot één van de verkorte hbo-opleidingen leraar oalt is toegelaten als gevolg van plaatsgebrek, dan wel indien betrokkene de betreffende opleiding niet kan volgen omdat deze niet is gestart, kan op aanvrage de tijdelijke bevoegdheid tot het geven van oalt en taalondersteuning worden verlengd.
4. De periode van twee jaar waarvoor de tijdelijke bevoegdheid geldt, vangt aan zodra betrokkene als leraar oalt en/of taalondersteuning is aangesteld.