De Commissie heeft tot taak om binnen de aanwijzingen van de Minister:
1. te streven naar innovatie van Rijk, daarbij inbegrepen de Hoge Colleges van Staat, provincies, gemeenten, waterschappen en zelfstandige bestuursorganen, gericht op een betere kwaliteit van dienstverlening aan burgers en op hogere arbeidsproductiviteit van medewerkers. Binnen deze organisaties zijn de aandachtsgebieden van de Commissie: management en sturing, HRM-beleid, inrichting en werkwijze alsmede processen en technieken, waaronder de inzet van ICT;
2. de uitvoering van experimenten te stimuleren;
3. kennis te ontwikkelen door het analyseren van praktijkvoorbeelden en experimenten alsmede door het doen uitvoeren van onderzoek. Deze kennis maakt zij vervolgens toegankelijk;
4. ideeën te verzamelen uit Nederland en uit andere landen voor innovatie van het openbaar bestuur en deze te analyseren;
5. kennisoverdracht te realiseren over praktijkvoorbeelden van innovatie;
6. verslag te doen aan de Minister van haar bevindingen aangaande de wijze waarop vernieuwingen kunnen worden geïmplementeerd;
7. inzichten die uit de experimenten naar voren komen met betrekking tot knelpunten en stimulansen voor innovatie over te dragen op relevante partijen, en
8. activiteiten te ondernemen, gericht op het bevorderen van de condities voor innovatie.
1. De Commissie kent ten hoogste twintig leden. Zij zijn afkomstig van het Rijk, daarbij inbegrepen de Hoge Colleges van Staat, de provincies, de gemeenten, de waterschappen en zelfstandige bestuursorganen. Zij hebben zitting op persoonlijke titel.
2. De voorzitter van de Commissie wordt als zodanig benoemd en is tevens lid van de Commissie. De tweede volzin van het eerste lid is niet van toepassing.
3. De Commissie wijst uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aan.
1. De leden van de Commissie worden benoemd door de Minister.
2. De leden worden benoemd voor ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan twee maal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.
3. De voorzitter en de andere leden kunnen te allen tijde hun functie neerleggen door een schriftelijke kennisgeving aan de Minister.
4. In bijzondere gevallen kunnen de voorzitter en andere leden van de Commissie door de Minister worden geschorst en ontslagen.
1. De Minister voorziet voor de ondersteuning van de Commissie in een secretariaat.
2. Het secretariaat staat onder leiding van een ambtelijk secretaris, waaraan een ambtelijk adjunct-secretaris wordt toegevoegd.
3. De ambtelijk secretaris en de ambtelijk adjunct-secretaris zijn voor de uitoefening van hun taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de Commissie.
4. De secretaris en de adjunct-secretaris zijn geen lid van de Commissie.
Naast de vergoeding op basis van het Vacatiegeldenbesluit 1988ontvangen de leden een tegemoetkoming in reis- en verblijfkosten overeenkomstig het Reisbesluit binnenland, voorzover zij niet reeds aanspraken kunnen maken op grond van een andere regeling.
1. De Commissie zendt vierjaarlijks, voor het eerst voor 1 juli 2006, een ontwerp voor een meerjarenprogramma voor de komende vier jaar aan de Minister.
2. De Commissie zendt de Minister jaarlijks voor 1 juli een ontwerp voor een werkprogramma voor het volgende kalenderjaar. Het ontwerp voor een werkprogramma gaat vergezeld van een ontwerp voor actualisering van het meerjarenprogramma, voor de resterende periode waarvoor het meerjarenprogramma geldt.
3. De Minister stelt het meerjarenprogramma, het werkprogramma en de wijzigingen daarvan vast.
1. De Minister stelt jaarlijks de benodigde middelen ter beschikking voor de werkzaamheden van de Commissie en haar secretariaat. De Commissie oefent haar taken uit binnen het raam van die middelen.
2. De Commissie zendt jaarlijks voor 1 juli aan de Minister een ontwerp voor de begroting voor het daaropvolgende kalenderjaar van de aan de taakvervulling door de Commissie verbonden uitgaven.
1. De Commissie brengt jaarlijks voor 1 april verslag uit van de werkzaamheden ter uitvoering van de in artikel 2genoemde taken alsmede van de de resultaten daarvan.
2. Op verzoek van de Minister, maar tenminste elk vierde jaar, stelt de Commissie een evaluatieverslag op waarin zij aandacht besteedt aan haar taakvervulling.
3. De Commissie zendt het jaarverslag en het evaluatieverslag aan de Minister.
4. De Minister stelt de Commissie in kennis van zijn standpunt over het jaarverslag en het evaluatieverslag.